Das Parfum

’s Ochtends vroeg, een ADL-assistente aan mijn bed. Ze ruikt bekend, aangenaam. Naar mij; ze draagt mijn parfum. Ik wil niet dat zij bekend of aangenaam ruikt, en al helemaal niet naar mij.

Ze heeft niet één, maar drie dezelfde geurtjes als ik. De eerste, Eternity, was toeval: toen ik hier kwam wonen, had zij hem al. Nooit meer heb ik die geur gedragen; ik heb hem weggegeven aan een andere ADL’er. Ik ontdekte Light blue, een fris parfum met cederhouten ondertoon. Een heerlijke geur, echt mijn geur. Dit heeft maar kort geduurd: na drie maanden rook ik Light blue bij vier of vijf ADL’ers. Tot slot kocht ik Hynôse, een wat zoet, maar toch licht parfum. Echt een wintergeur, de enige zoete geur die ik ooit heb gedragen. En ook Hypnôse blijkt dus niet meer alleen mijn geur te zijn.

Parfum bij verzorgers is soms wat onprettig; er wordt je een geur opgedrongen waar je niet op zit te wachten. Dit is anders op je werk, op straat of bij vrienden. Dan ben je in het openbaar. In je eigen huis moet het ruiken zoals jij dat prettig vindt.

Maar toch, als een ADL’er dan ineens ruikt zoals jij zelf graag ruikt, is dat ook weer niks. Je identificeert je met die ander, tegen de bestaande persoonlijke verhoudingen in. Zolang ik aan mezelf denk als ik die ander ruik, is dat geen grote ramp; het wordt pas problematisch als ik aan die ander denk zodra ik de geur zelf draag. Wordt het tijd voor een parfumvrije zone in Fokus-land?

Veggie in Pumps

Toen ik een paar maanden geleden op zoek was naar een zoveelste vegetarisch kookboek, stuitte ik op het boek Veggie in Pumps: gids voor een ecofabulous leven. Heb ik toch niet nodig?, dacht ik: ik zet de kraan uit tijdens het tandenpoetsen, eet al sinds mijn vierde vegetarisch en scheid oud papier. Totdat ik op een GroenLinks-conferentie een speech bijwoonde van Femke Halsema.

De speech ging over consumeren, maar was geen moraliserende toespraak over wat we met z’n allen zouden moeten doen om onze planeet te redden. Integendeel: Femke erkende hoe makkelijk en vooral ook hoe prettig het is om te consumeren. Boeken, zomerjurkjes, een vlucht naar de vakantiebestemming, etc. Vooral in de impulsaankopen van kleding herkende ik me. Ik heb jarenlang heel veel geld uitgegeven aan goedkope kleding, geproduceerd in verre landen en onder slechte arbeidsomstandigheden. En omdat die kleding zo goedkoop was, had ik er veel van: mijn kast puilde uit.

Femke raakte me toen ze liet zien wat de keerzijde is van consumeren. Mensen hechten zoveel waarde aan materieel bezit, dat ze er hun identiteit aan ophangen: bezit heeft status. Ook mensen met weinig geld hebben behoefte aan status en schaffen dus allerlei dure goederen aan, die ze eigenlijk niet kunnen betalen – met grote schulden tot gevolg. Ook liet Femke een andere keerzijde van consumeren zien: door alle vluchtige aankopen en instantbevredigend gedrag vergeten we nog wel eens te genieten van het leven. We zijn zoveel meer dan consument; waarom zouden we onszelf niet ontwikkelen en meer kanten van het leven onderzoeken?

En zo belandde het boek Veggie in Pumps toch nog in mijn collectie. Het boek geeft de hedendaagse vrouw handreikingen voor een bewust(er) leven, zonder daarbij in te moeten leveren op comfort of modebewustzijn. Met andere woorden: je hoeft geen geitenwollen sok te zijn om goed om te gaan met mens, dier en natuur. Wat een verademing!

Het boek telt zes hoofdstukken: 1. Food, 2. Fashion, 3. Beauty, 4. Travel, 5. Living en 6. Business. In elk hoofdstuk vind je informatie en praktische tips. Een voorbeeld uit het hoofdstuk Food:

Ga bij het koken zuinig om met energie. Houd bijvoorbeeld de deksel tijdens het koken op de pan. Verwarm je over niet meer voor, behalve als je cake of brood gaat bakken. (p. 39)

En uit het hoofdstuk Beauty:

Let op of je cosmetica gifvrij is en bestel bij Greenpeace de Mooi!-cosmeticagids vol informatie over de belastende stoffen in make-up, en over gifvrije cosmetica. www.greenpeaceweb.org. (P. 98)

Het is wel jammer dat het boek zelf niet is gedrukt op kringlooppapier; dat ondermijnt de boodschap van het boek wel enigszins. Bovendien is het een gemiste kans dat alleen (vegetarische) vrouwen worden aangesproken; ook (al dan niet vegetarische) mannen kunnen veel hebben aan de tips in de diverse hoofdstukken. Maar ja, die willen natuurlijk niet op pumps rondlopen, dus kopen ze dit boek niet. Zonde, want een ecofabulous leven is zeker de moeite waard!

Meer weten over Veggie in Pumps? Kijk dan op www.veggieinpumps.nl.

Wie is Hann?

Wie is Hann? Die vraag kan ik zelf het beste beantwoorden, daar kom ik steeds meer achter. Aanleiding is een portret dat deze week over mij werd geschreven voor het GroenLinks-magazine en de foto’s die bij het artikel zijn gemaakt.

De journaliste die het interview afnam, was ontzettend aardig. We hadden bovendien wel wat gemeen door onze vrouwenstudiesachtergrond en ons vrijwilligerswerk voor LOVER: tijdschrift over feminisme, cultuur en wetenschap. We kenden elkaar niet, maar het klikte. Vandaag belandde het interview in mijn mailbox. Het is een leuk artikel geworden; er staat inhoudelijk in wat ik vind en heb gezegd. Toch herken ik mezelf er niet echt in. Ik kom enthousiast over, gepassioneerd, maar ook een beetje… tja, hoe zal ik het noemen? Onrealistisch, kinderlijk? Daarom heb ik een paar uitspraken aangepast, zodat ze net iets meer Hann worden.

Met fotografie ligt dat wat lastiger. Voor het artikel moest ik ook worden vastgelegd op de gevoelige plaat. Nu sta ik liever achter een camera dan ervoor, maar daarmee kom je niet ver: GroenLinks wilde geen zelfportret – de foto’s moesten volgens een bepaalde formule genomen worden. Ik moest er dus toch aan geloven. Na twee minuten zei de fotograaf: “Als ik hier binnen kom, springen al die hulpmiddelen gelijk in het oog.” Een fotograaf probeert een beeld van je te vormen en dat beeld wil hij herscheppen. Leuk werk. Maar wat als de fotograaf een ander beeld van jou heeft dan jij zelf?

Voor mij zijn mijn rolstoel en tillift ‘slechts’ hulpmiddelen, die mij vervoeren – over straat of naar het toilet. Ze zijn niet mij, ik ben geen rolstoeler, maar een persoon (die zich verplaatst in een rolstoel). Als ík iemand in een rolstoel portretteer, neem ik een foto van de persoon, niet van zijn of haar rolstoel. Mijn fotograaf wilde dat wel. Nu ging het artikel over de Wajong, dus ik snapte zijn standpunt. Het is bovendien goed voor de beeldvorming om te laten zien dat mensen in een rolstoel mooie mensen kunnen zijn: intelligente, kritische en zelfbewuste mensen. De foto’s zijn best aardig geworden, maar ze zijn ook niet echt Hann.

Wie is Hann dan wel? Ha! Daar bewijst mijn weblog me weer een grote dienst! Ik ben dit. Kijk maar. Lees maar.

Slapen met een vleermuis

Ik lig in bed en slaap nét, als ik wakker word door een vreemd soort gepiep. Dan realiseer ik me: een van de katten heeft iets gevangen en het leeft nog. Aan het belletje te horen is het niet Gabor of Boris die een prooi heeft gevangen, maar Ludo. Dit is pas de tweede keer dat hij iets mee naar huis neemt. Opstaan kan ik niet, dus ik probeer er doorheen te slapen. Ogen dicht, arm over mijn oor. Maar het lukt niet; ongewild luister ik toch naar het tafereel. Het beest is onder mijn bed beland en probeert nog weg te komen; hij piept. Het klinkt als een muis, maar daarvoor is het geluid niet schel genoeg. Voor een vogel klinkt het te zacht. Ik hoor het beest roepen om hulp en ik kan er niets aan doen. Ik hoor hoe Ludo hem even laat gaan en weer toeslaat. Weer gepiep, iets harder nu. Dit herhaalt zich een keer of vijf. Ik kijk op de klok en zie dat het al vijfentwintig minuten bezig is. Ik kan er niet meer tegen, voel mijn hart samentrekken en mijn ogen vochtig worden. Na enige twijfel bel ik mijn moeder, die bij mij logeert. Ze moet uit de camper op de parkeerplaats komen. Als ze de slaapkamer binnen is gekomen, raapt ze het beest op en zegt ze: "Kijk eens wat een schatje." Het is een jonge vleermuis. Ludo loopt gepikeerd de deur uit. Ik slaap de rest van de nacht met de ramen en deuren dicht.   

Wie katten heeft, krijgt te maken met grootse gruweldaden: het doden van weerloze wezens. Mijn katers hebben al van alles meegesleept naar huis: niet alleen vleermuizen, maar ook merels, koolmezen, muizen, lijsters, een konijn, een meeuw en zelfs een van de barbecue gestolen kippenbout. Meestal leven ze nog. Als Melle er is, redt hij ze: hij pakt het vogeltje voorzichtig op en legt hem in een doos. Meestal zijn ze onbeschadigd; dan laat Melle ze de volgende ochtend vrij en vliegt zo’n vogeltje weer vrolijk de boom in. Een enkele keer hebben ze wel gaten in hun borst of vleugel. Dan heeft een vogel penicilline nodig, anders gaat hij dood. Bij de vogelopvang weten ze precies wat zo’n geredde prooi nodig heeft – ik ken de weg inmiddels blindelings.

Helaas vinden mijn katten het schijnbaar nodig om vooral als ik alléén ben, prooien mee naar huis te nemen. ADL’ers komen niet om weerloze beestjes te redden; die worden al onpasselijk als het hele huis vol ligt met veren. Dan moet ik mij dus overgeven aan de wetten van Moeder Natuur. Geef mij maar Moeder Renske, die een klein vleermuisje in een doosje op de heg legt.

De wereld verbeteren

Over een kleine twee jaar zit mijn project bij de VSN erop. Het is een leuk project en een belangrijk project: we hebben als doel kids en jongeren met een spierziekte beter voor te bereiden op een zelfstandige toekomst, inclusief alles wat elke volwassene wil: een woning, werk/studie, vrienden, relaties en de mogelijkheid om op vakantie te gaan of er hobby’s op na te houden.

Wat ga ik doen na die twee jaar, vraag ik mezelf al een tijdje af. Het is niet zo dat ik me zorgen maak over of ik al dan geen werk vind: ik heb vanaf mijn eerste sollicitatie werk gehad en ik kan altijd terugvallen op mijn oorspronkelijke beroep – docent Nederlands. En toch is het gaan kriebelen. Ik wil mezelf ontwikkelen, studeren. Een eigen bedrijf misschien als coach?

Vandaag was het mijn baas die me op een heel ander idee bracht, een nieuw perspectief. Hij zei het tussen neus en lippen door: "Is pr niet iets voor jou?".
Dit had ‘ie al eens eerder laten vallen en toen ben ik er niet op in gegaan, maar vandaag wilde ik het weten: "Wat bedoel je daar precies mee?"

Toen spiegelde hij me waarin hij mijn kracht ziet: in het presenteren van dingen, woordvoerderschap, politiek misschien. In het overbrengen van een boodschap. Eigenlijk is dit geen nieuws, maar vandaag kwam het anders binnen. Iets resoneerde. Een roeping, talent, perspectief. Voor mij, maar ook voor anderen. Ik ga de wereld verbeteren.

Win, win, win!

Je hoort wel eens van mensen die altijd winnen. Prijsvragen, loterijen, je kunt het zo gek niet bedenken of zij hebben de prijs. Femke is zo iemand. Voor haar zijn een trui en een opblaasboot inmiddels tussendoortjes. Zij gaat voor het echte werk: een lang weekend weg naar een middeleeuws kasteel (inclusief het gebruik van een spliksplinternieuwe Ferrari), verwenweekends in een beautyfarm en – als klap op de vuurpijl – duizend staatsloten.

Ik hoor de weekselijke succesverhalen vol jaloezie aan en waag zo af en toe ook een poging. Een paar maanden geleden was het raak: ik had een Girls Comedie Night gewonnen! Bij de Viva, gewoon de eerste keer dat ik meedeed. Sindsdien doe ik mee met Viva’s Klik & Win, in de hoop dat ik ooit net zo succesvol word als Femke. Ik heb er zelfs een map voor aangemaakt in mijn mailbox.

Het probleem is alleen: als je eenmaal hebt gewonnen, komen de prijzen je niet zomaar aanwaaien. Ze verdelen de prijzen waarschijnlijk liever over zo veel mogelijk gelukkige winnaars. In België was een man die iets had bedacht om dat te omzeilen. Hij deed steeds met prijsvragen mee onder verschillende namen. De namen ‘leende’ hij van vrienden en bekenden, met wie hij de prijs deelde. In totaal had deze man al elf huizen en 33 auto’s gewonnen – of zoiets.

Dit bracht mij op een idee. Zaterdagavond zei ik tegen mijn moeder: "Ik heb voor je meegedaan aan een prijsvraag. Je kunt een yogaweekend winnen voor twee personen." Mijn moeder, nietsvermoedend, heeft deze mededeling naast zich neergelegd. Prijzen interesseren haar niet, waarschijnlijk omdat ze er toch niet in gelooft dat ze iets wint. Tot ze vandaag werd gebeld.

"Gefeliciteerd: u heeft een prijs gewonnen. Kunt u aangeven naar welke workshop uw keuze uitgaat?"

Mijn arme moeder wist niet meer waarover het ging en mompelde terug: "Sorry, ik doe wel vaker mee met prijsvragen, maar ik heb nog nooit eerder gewonnen. Is het goed als ik er even over nadenk en dat ik u morgen terug bel?" Dat kon.

– "Wie neem je mee?"
* "Ik heb gelijk gevraagd of het rolstoeltoegankelijk is."

Euforie. Toeters en bellen. Mijn geluk kan niet op: ik neem mijn moeder vrijdag mee naar het Festival Mundial in Tilburg om meisjes en vrouwen in de wereld te steunen*. En dan gaan we zaterdag samen relaxen, Ayurverdisch eten en vervolgens lekker swingen tijdens de Yoga Trance Dance**. Als dát niet een leuk moeder-dochterweekend wordt… En dat allemaal dankzij de Viva!   

* Lees meer over het project Because I’m a Girl
** Wil je je nog opgeven voor het Yogaweekend? Kijk dan op www.living-yoga.nl. Twintig procent van de opbrengst gaat naar Women for women.

Bulgaren in huis

Ik had al maanden een afgeschreven tillift in de berging staan. Het kreng stond enorm in de weg, maar toch kon ik het niet over mijn hart verkrijgen om ‘em weg te doen; hij werkte namelijk nog prima. Melle bedacht gisteren op weg naar huis dat de Bulgaren (zie vorige blog) er misschien iets aan zouden hebben.

En dus belde ik ze. Een paar uur daarna stonden ze op de stoep: in een oud, roestig busje met daarin twintig afgeschreven beademingsapparaten. Die hadden ze gekregen via de VSN – de reden van hun bezoek aan Nederland.

De Bulgaren hadden nog nooit een aangepast huis gezien. Met fototoestellen gewapend bewonderden ze de elektrische deuren, mijn Lucy-toestenbord, de in hoogte verstelbare douchebrancard, het op rolstoelhoogte gemonteerde aanrecht en ten slotte de tillift, die wij via de tolk uitgebreid demonstreerden – mijn afgeschreven tillift wordt de eerste tillift in Bulgarije. Ik heb ze dus ook gelijk vier niet lekker zittende tilbanden meegegeven, als voorbeeld voor iets beters; de banden zijn zozeer op mijn lijf aangepast dat iemand anders er onmogelijk in past.

Hoewel de Bulgaren erg blij waren met de demonstratie van al die hulpmiddelen, oogste mijn kat Gábor nog wel de meeste bewondering. Gábor is een Maine Coon met lange manen en een woeste blik. En hij speelde zijn rol goed: hij poseerde statig in de vensterbank terwijl de Bulgaren de ene foto van hem na de andere schoten. Hoogtepunt van de middag was dat Gábor ontsnapte uit de reismand toen Melle met hem naar de dierenarts ging. Gierend van de lach bleven ze flitsen, zo prachtig vonden ze hem.

Ik schat mijn leven opeens een stuk meer op waarde, niet alleen vanwege de rolstoel en tillift, ook vanwege de kat.

Cassettebandjeskunst

Eens per zoveel tijd heb ik het: opruimwoede. Als ik eenmaal op dreef ben, is niets me heilig – het een na het ander verdwijnt in een doos voor de kringloopwinkel. Deze week was het weer zover; de doos met cassettebandjes, die zich jarenlang onder mijn bureau op de vloer had verschansd, moest eraan geloven.

Joska

De bandjes, ruim zestig stuks, werden door mijn hulp vakkundig omhooggehouden (‘Nirvana, unplugged’) en  op mijn aanwijzing gesorteerd in drie stapels: wegdoen, bewaren of twijfelgeval.

Wat ik niet had verwacht, is dat die bandjes me zouden terugvoeren langs mijn verleden. Elk bandje had zijn eigen context, gevoel, herinneringen – iets wat veel emoties opriep. Dierbare, maar vervlogen tijden.

1987: Van alles en nog wat – met onder meer The Beatles en The Monkeys, Ellen Foley en The Moody Blues. Dit was mijn eerste zelf samengestelde bandje. Ik draaide het grijs: als ik met Nora op Ofinka-kamp ging, maar ook op het strandje in Grolloo, waar ik in de zomer met mijn ouders kwam. Ik luisterde naar John Lennon’s Imagine, terwijl ik de meisjes om me heen zag met hun veel aantrekkelijkere en rechtere lichamen dan het mijne. Zo mooi zou ik nooit worden, daarvan was ik heilig overtuigd.

1989: Supertramp – rondtrekken langs de Plivič-meren in Kroatië, waar wilde beren rond het pension rondslopen en waar ik mijn eerste blauwtje liep – notabene bij de jongen waarmee ik een half jaar daarvoor nog verkering had. Ik werd volwassen en was melancholisch; dagboeken vol schreef ik over de zin van het leven – was die er überhaupt, of was ik slechts onderdeel van een zinloos bestaan? Tegelijkertijd was het ook zo mooi: ontdekken wie ik was.

1992: Mijn vriendin Marie die drie kantjes voor me had ingesproken: interviews met vrienden, gitaarspelende meisjes en opnames in Kafé België, waaraan de nodige hijsjes van een joint vooraf waren gegaan. ‘Zie brief’ stond er op het bandje. We schreven elkaar wel twintig kantjes per week. “Waar gingen die brieven eigenlijk over?” vroeg Marie me laatst, toen we het erover hadden. En toen kwamen we tot de conclusie dat ze vooral gingen over dingen die vijftienjarigen belangrijk vinden: verliefdheden, vriendschappen en leraren. 

1995: Een bandje van mijn vriendin Nina, op wie ik hopeloos verliefd was. Ik draaide het bandje en droomde over haar, terwijl ze nooit meer zou worden dan een dierbare vriendin – die overigens best leuk kan zingen. 

1996: Nirvana, singles, en The Offspring – de met viltstift geschreven tekst op de achterkant van het bandje: ‘From a friend, to my friend. Never forget, Miriam.’ Spaanse Miriam, die nooit meer antwoordde op mijn brieven.

2000: twee bandjes waarop ik mijn vriend Niek interview over zijn kijk op het leven. Meer dan drie seconden kon ik niet luisteren, zo’n heimwee kreeg ik naar mijn studententijd: de tijd waarin ik leerde dat verantwoordelijkheidsgevoel alleen niet genoeg was om gelukkig te zijn. Niek liet me zien wat lef was, wat het was om te spelen met grenzen, die overschreden konden worden. Dankzij hem heb ik losbandigheid leren kennen, en heb ik vervolgens geleerd om een balans te vinden tussen losbandigheid en verantwoordelijkheid.

De meeste bandjes heb ik weggegooid, maar ik kon het niet over mijn hart verkrijgen om de bandjes weg te gooien waarop mijn vrienden mij dingen over het leven spiegelden. En dus gingen ze in enveloppen, die cassettebandjes – naar mijn vriend en twee vriendinnen. Zo kunnen zij ook nog even snuffelen aan vervlogen tijden.

Koelblauwe waas of zonnige wereld met perspectief?

Ik heb een nieuwe spiegelreflexcamera gekocht: een Olympus E-420. Niet omdat ik mijn Canon EOS 350D zat was, maar omdat ik die niet langer kon tillen. Hoe lang het er al aan zat te komen, weet ik niet, maar ineens was het op. Ik merkte dat ik steeds vaker op de gok schoot in de hoop dat er een goede foto uit zou rollen. Zonder te kijken, dus. Nu blijken er spiegelreflexcamera’s te bestaan waarmee je ook via het display kunt scherpstellen; je hoeft dan het oculair niet meer tot aan je oog te brengen. Zo’n camera is de Olympus E-420.

Aanvankelijk deed de aankoop pijn. Niet alleen vanwege het enorme bedrag dat ik twee jaar geleden uitgaf aan de Canon (die nog prima functioneert), niet alleen omdat ik datzelfde bedrag nu nóg eens moest neerleggen voor een Olympus, maar vooral omdat ik erg gehecht ben aan mijn Canon. Hij maakt foto’s die ’typisch Hann’ zijn, maar die eigenlijk ook typisch Canon blijken te zijn. Een koelblauwe waas hangt over lieflijke kinderkiekjes, ochtendportretten doen vermoeden dat de nacht lang is geweest.

Door de Olympus-bril is alles frisgroen en lentegeel. Geen te lange nachten meer, nooit meer de  vooruitziende dramatische blik over een huwelijksportret. "Daar zult u aan moeten wennen," aldus de verkoper, "meestal zult u het resultaat minder mooi vinden dan wat u gewend bent van uw oude camera." O, oude vertrouwde Canon, hoe moet ik verder zonder jou?

Tot ik vandaag naar het Kröller-Müller museum ging. Twee camera’s hingen er om mijn nek: mijn nieuwe Olympus en mijn oude Canon. Vergelijken zou ik ze, alle foto’s zou ik dubbel maken om precies te zien waar de sterke en zwakke punten van mijn beide camera’s lagen. Olympus moest zich nog bewijzen. In de auto werd de Canon al wat zwaar om mijn nek, en bedacht ik wat ik met hem zou doen:
– houden, en er elke dag een zelfportret mee maken tot ik oud en verschrompeld ben?
– voor veel te weinig geld verkopen op Marktplaats?
– cadeau doen aan mijn vader?
– in de kast laten liggen, en hem alleen gebruiken als ik hem nodig heb?

Toen ik eenmaal in de beeldentuin van het Kröller-Müller rondreed, was ik mijn Canon al bijna vergeten, zó licht, zó makkelijk, zó snel en zó scherp is Olympus. Ideaal voor buiten, heel geschikt voor een zonnige wereld met perspectief. Van mijn oude blik moet ik mij nog losmaken. Dat zal nog even tijd kosten, maar Canon blijft in mijn leven. Ik doe hem niet weg; noch blijft hij in de kast liggen. Mijn oude, vertrouwde camera blijft aan mijn zijde. Aan Melles handen is hij toevertrouwd.

Mijn foto’s zien? Klik dan hier.

Zakken in de dieptes van de vriendschap

Sommige vrienden zitten in je hart. Die hoef je niet wekelijks of maandelijks te zien om van ze te houden. Als je ze weer ontmoet – soms na jaren -, is het direct weer vertrouwd. Zoals vroeger. Binnen twee minuten.

Peet, Hanne en ik zitten  aan een tafel in een modern Turks restaurant, Selina. Hanne is kok, dus het eten moet goed zijn. De wijn ook. Hanne kiest voor wit.
"Kom je hier vaak?"
Ik knik. "Bijna wekelijks."

Dan hebben we het over de afgelopen dertien jaar, maar het is niet onnatuurlijk, niet alsof we de afgelopen dertien jaar even moeten doornemen. Meer dan dat gaat het over gevoelens, over moeilijke momenten op essentiële plaatsen. Een huwelijk. Woelige tijden.

Ik was er niet bij. Eigenlijk is dat bevreemdend. Ik wil erbij zijn als het pijnlijk is, of zo fijn dat je ervan gaat huilen.

We vertellen elkaar over die momenten tot het laat wordt en ik weg moet. Als ik op de tram stap en ze me uitzwaaien, voel ik: ik ben er al die tijd bij geweest.

Opdringerige verkopers turn-off

Al maanden keek ik ernaar uit: Support 2008, dé lifestylebeurs voor mensen met een functiebeperking. De beurs vindt maar eens in de twee jaar plaats, waardoor je elke keer je ogen uitkijkt naar nieuwe snufjes op de markt: rolstoelen die kunnen traplopen, nieuwe, nog weer lichtere besturingen om zelf auto te rijden, aangepaste vakantieoorden en natuurlijk allerlei verenigingen die gehandicapten ondersteunen bij het aanvragen van voorzieningen, het opzetten van een eigen bedrijf of het vinden van een levenspartner. Hoewel ik om dit laatste niet verlegen zit, vond ik het na een hele donderdag op de beurs achter de VSN-stand toch leuk om zaterdag nog een keer te gaan. Als bezoeker, voor mezelf. Helaas viel de beurs nog nooit zo tegen als dit jaar.

De ellende begon al bij binnenkomst: ik liep een chagrijnige gehandicapte tegen het lijf. Althans, zijn begeleider, want de man in de rolstoel zelf was niet erg spraakzaam (en dus ook niet aan te merken als chagrijnig). We zaten samen in de ronddraaiende entree en hij nam gas terug, dus ik raakte het glas, waardoor de deur even haperde. Gelijk begon zijn begeleider tegen me te mopperen, waarna ik mijn excuus maakte. Toen hij vervolgens een gezicht trok alsof ik zojuist over zijn tenen was gereden en hij me nog een hautaine snauw na gaf, riep ik hem na: "Dan hoeft u nog niet zo onaardig te doen."

Eenmaal op de beurs werden we doodgegooid met gretige verkopers, die in elke gehandicapte een prooi zagen om hun waren, diensten of folders aan te slijten. De allerergste was de verkoper van Noodtoilet, een zakje waarin je kunt plassen. Je versgeplaste urine droogt binnen 15 seconden op, waardoor je nooit in situaties belandt zoals ik laatst in de nachttrein (zie eerdere blog). Ik vond het dus een interessant product. Helaas, bij de eerste zin van de verkoper haakte ik al af. Zó niet-afgestemd, zo dom, zo commercieel. Het noodtoilet is dus niet in mijn winkelwagentje beland – puur uit principe, want met het product zelf is waarschijnlijk niet veel mis.

De moeder van mijn vriendin Dorine werd gestrikt door een gehandicaptenreisorganisatie. Dat zie je vaak, dat verkopers de begeleider aanspreken in plaats van de klant zelf. Een turn-off voor elke zichzelf respecterende gehandicapte. Zo ook voor Dorine, die zich op een gegeven moment toch maar in het gesprek mengde en vroeg op welke doelgroep de organisatie zich eigenlijk richtte. Op bejaarden, bleek.
Ik: "Wat zei je? Rot op kerel en verdoe mijn kostbare tijd niet?"
Dorine: "Nee, dat vind ik ook zo onbeleefd."

Dat is nog de grootste misdaad van verkopers, dat ze op slinkse wijze gebruik maken van ons sociale omgangsnormen. Anders zou er allang geen telemarketing meer bestaan; iedereen zou ongegeneerd zeggen: ‘Rot op en verdoe mijn tijd niet,’ en de hoorn op de haak gooien. Ik persoonlijk hanteer de methode van de vermijding: ik zie je niet, ik hoor je niet en dus spreek jij mij niet aan. Ik neem de telefoon niet op rond etenstijd en ik negeer gretige verkopers op Support.

Deze strategie heeft me zaterdag behoed voor een hoop onaangename, nutteloze praatjes. Daar ben ik niet rouwig om. Maar tegelijkertijd heb ik mezelf ook beperkt; ik heb nooit langer dan drie seconden bij een stand stilgestaan. En daardoor heb ik ook mooie dingen gemist: aangepaste Wellnessvakanties in Turkije en een rolstoeltoegankelijke camper, maar ook handige hulpmiddelen.

Dit bleek toen we ’s avonds met een groepje VSN-jongeren zaten te eten in de Stairway to Heaven. Kim had namelijk een onwaarschijnlijk handig ding gekocht: een soort uitschuifbare antenne met daaraan een heel sterk magneet, waarmee je zelfs een zware nietmachine van de grond kon tillen. Je hebt geen handkracht nodig om het apparaatje te hanteren, zoals bij de inmiddels ouderwetse handgrepen. Een tweede tool (bij de prijs inbegrepen) was zo’n zelfde antenne, maar dan met een plakkende stempel aan het uiteinde. Hiermee kon je zelfs een vol glas cassis naar je toe halen, demonstreerde Kim aan de grootste tafel in Stairway. Toch nog even op het internet checken dus, dan kan ik gelijk die Noodtoiletzakjes kopen, en die handige weegschaal en…

Idee: laten we Support 2010 op het internet organiseren. Geen opdringerige verkopers meer, maar wél alle gadgets online!

Re-united

Daar staat hij: grijs en met een nieuweApril_2008_004_2 bril, maar voor de rest is hij precies mijn oude leraar Engels. Voor de klas, niemand heeft ook maar een bladzijde gelezen, maar toch worden we overhoord. Medelijden om de verhalen die een leerling verspreidt: "Alweer een andere man nam de telefoon op; zou hij orgies houden thuis?" Ik heb ooit één keer gespiekt. Dat was bij hem.

"Meneer Franzen!"
Een brede glimlach om zijn mond. "Hannie."
"Ik heb u altijd nog eens willen vertellen dat ik echt veel heb gehad aan het project Black Americans. Laatst was ik in Kopenhagen, waar ik de documentaire Strange Fruit heb gezien, met dat lied van Billy Holliday." Ik kijk hem vragend aan en hij knikt bevestigend. "Toen moest ik weer denken aan The Black Panters en aan dat fantastische project."

Meneer Franzen lijkt ontroerd en begint vol passie te vertellen over hoeveel geld onze klas hem wel niet heeft gekost omdat we ’s zomers altijd een ijsje wilden.

Ik heb een reünie van mijn middelbare school. Een vreemde, nostalgische gebeurtenis. Bij binnenkomst alleen al komen talloze geurherinneringen op. Als je niet beter weet, noem je de geur in die gang misschien een typische schoolgeur – maar voor mij is deze specifieke geur onlosmakelijk verbonden met wiskundeles, mijn (vermeende) liefde voor meneer Van Werven en natuurlijk José, met wie ik Frans volgde in een aanliggend lokaal. In een ander deel van de school, bij het biologielokaal, hangt weer een heel andere geur. Geen idee of ik die twee geuren dertien jaar geleden van elkaar had kunnen onderscheiden, maar plop, daar zijn heel andere herinneringen: herinneringen aan de Theetent en aan tussenuren, aan Peter-Paul en aan meneer De Goede (die goddank nooit in de Theetent kwam).

Als ik hoor over de reünie, staat als een paal boven water: daar wil ik heen. Kijken of Franzen nog steeds mintgroene stropdassen draagt op faalblauwe pullovers met gele sterren, weten of mevrouw Rientjes nog steeds niet overspannen is. Ik wil daar zijn met mijn vriendinnen, maar Margreet kan niet en Hanne begint terstond te puffen bij het idee alleen al dat gebouw ooit weer in te moeten – dat vreselijke gebouw waar ze zes jaar lang met tegenzin naartoe is gefietst. Toch is ze er – net als Mira, José, Peet en een heleboel anderen.

Het gekke is: niemand is veranderd. Oké, Peter-Paul heeft kort haar en een goede baan, Nienke en Rosalie hebben allebei kids en Mira heeft tussendoor twee andere namen gehad, maar what’s in the name? De betrokkenheid bij elkaar is binnen no time weer als toen. Dat blijkt als we ’s avonds, na de reünie, met elkaar zitten te eten in een pizzeria van toen.

Er spelen wel andere dingen. We hebben het niet over verliefdheden, proefwerken en muziek, maar over relatieproblemen, carrièrekeuzes en huizen opknappen. We zijn zomaar ineens dertig. En toch, er is niets veranderd.