Grote, grijze, vierkante klompen

Er is maar één grote frustratie in mijn leven: orthopedisch schoeisel. Van mijn twaalfde tot mijn vierentwintigste ben ik op sokken door het leven gegaan, want gehandicaptenschoenen, die hoefde ik niet. Grote, grijze, vierkante klompen boven een paar wielen, dat is echt geen porum.

Totdat mijn revalidatiearts in het jaar 2000 tegen me zei dat ook orthopedische schoenen heus wel mooi kunnen zijn. Ze overtuigde me; ik ging naar een orthopedische schoenmaker en liet me twee paar schoenen aanmeten, een zomer- en een winterpaar. Het enige criterium dat ik had: ze moeten mooi zijn. Het werden prachtige schoenen, vooral het zomerpaar, dat ik zelf had ontworpen. Jarenlang had ik geen behoefte aan een nieuw paar; mijn schoenen slijten niet zo snel.

Vorig jaar vond ik het echter weer eens tijd worden voor een nieuw paar. Laarzen moesten het worden, want die horen toch op zijn minst in de collectie van elke vrouw thuis. Ik zocht het telefoonnummer van Hans, de man van mijn dierbare zomerpaar. Hij werkte nog steeds in Maastricht. Dat is best een eind weg van Nieuwegein. Ik besloot mijn argwaan tegen onbekende schoenmakers opzij te zetten en vond Jos, een schoenmaker in Utrecht. Hij maakte het prachtigste paar orthopedische laarzen dat ik ooit heb gezien, waardoor mijn vertrouwen in schoenmakers op slag steeg.

Helaas ging het de keer daarna mis. Jos was ziek en dus hielp zijn zus me met het uitzoeken van een voorbeeldpaar uit de catalogus. Vrouwen onder elkaar, het was in elk geval gezellig. Ik koos een hip paar uit met een ietwat sportieve zool. Toen ik drie maanden later terug kwam om ze te passen, schoten de tranen me in de ogen. Het waren logge, afschuwelijk gevormde schoenen geworden. Op mijn vraag hoe dat nou toch kon, antwoordde Jos dat het model niet echt geschikt was voor zulke scheve voeten als die van mij. Hij heeft zijn best gedaan om er nog iets aan te veranderen, maar eerlijk is eerlijk: ik heb ze hooguit twee keer gedragen.

Het kwam allemaal door die zus; zij had me een paar aangesmeerd dat ongeschikt was voor mijn voeten. Jos kon het beter, dus bestelde ik gelijk een reservepaar: roze met rode gympen. Prachtig zouden ze worden, ik droomde er vijf maanden van.

Tot afgelopen maandag, toen ik ze kon komen passen. Alleen bij een blik in de doos al wist ik het: dit waren de lelijkste orthopedische schoenen die ooit voor me waren aangemeten. Ik bleef stil toen Jos ze uit de doos pakte, tot hij vroeg wat ik ervan vond.
"Afschuwelijk. Daar ga ik echt niet mee over straat."

Hij was teleurgesteld. Jos doet namelijk erg zijn best op elke schoen die hij maakt. Hij liet me terloops weten dat hij ze niet over kon maken, omdat er nu al heel veel geld in was gestoken. Een beetje aanpassen kon hij ze, en daar ging hij ook echt zijn best voor doen, maar ik moest geen wonderen verwachten; ik had nou eenmaal hele scheve voeten. Wat ik ook zei, hij sloeg hooguit zijn ogen neer (en biechtte me op dat hij in de toekomst geen schoenen meer voor mij durfde te maken omdat ik nooit tevreden was).

Thuis moest ik eerst drie keer slikken, twee keer vloeken en vervolgens een hele middag geld uitgeven voor ik me beter voelde (ik blijf een vrouw, schoenen of niet).

Ik zal dus nog tien jaar met mijn laarzen moeten doen en daarna neem ik ze mee naar een onbekende schoenmaker en zeg ik hem dat hij ze precies namaakt: in het roze, groen, turquoise en zwart. Dan hoop ik ook de tien jaar daarna geen schoenmaker meer nodig te hebben.

Rood

Rood is niet langer de kleur van de liefde of de kleur van het Red Light District; rood is de kleur van mijn haar. Sinds gisteren is mijn haar Rood.

Eigenlijk wilde ik het al in New York laten doen, maar in East Village, the place to be als het gaat om het verven van haar in heftige kleuren, waren alleen kappers in kelders of op zolders te vinden. En dus ging ik gisteren naar mijn oude vertrouwde kapster Carola. Ze werkt bij Team Kappers in Nieuwegein.

Toen ik zei dat ik het Heftig Rood wilde, kreeg ik een staaltje met wat kleuren te zien. Ouwe-vrouwen-kleuren-rood, vond ik. Toen kwam er een wat gewaagdere staal op de propeen. Helaas, ook hier vond ik niets van mijn gading. Carola keek me met open mond aan. Toen zei ze:
“Ik weet wel iets, maar weet je het zeker?”
Ik knikte.
“Echt?”

En zo geschiedde het. Er werd een mengsel gebrouwen, waarmee mijn haar vervolgens zorgvuldig werd ingesmeerd.
“We moeten wel zeker weten dat het goed gaat.” Carola was duidelijk nog steeds minder zeker van haar zaak dan ik.

Gedurende het half uur intrekken zag ik mijn haar steeds lichter worden. Na het uitspoelen bleek ‘rood’ niet meer van toepassing; ik leek meer op een kruising tussen Pippi en Bassie. Carola zag mijn blik en vroeg: “Wat vind je ervan?”
“De felheid is mooi, maar ik had het toch iets roder bedacht.”
Carola knikte, en haalde een tube Action Paint Extra Red van achteren. Dit moest voor een iets diepere teint zorgen.

Het resultaat is verbluffend: toen ik vanmorgen in de spiegel keek, werd ik op slag verliefd op de dame die ik zag!

Dromen

Ik wil u graag iets vertellen over mijn dromen. En dan bedoel ik niet die dingen die je ’s nachts hebt, als je slaapt, maar dagdromen. Dromen over het leven.

In elke fase van je leven heb je andere dromen. De eerste droom die ik mij kan herinneren, was dat ik kon lopen. Op de dag voor mijn vierde verjaardag hoorde mijn moeder mij tegen de kat fluisteren:
“Ik heb een verrassing voor papa en mama. Morgen word ik wakker en dan kan ik lopen. Dan ga ik naar papa en mama’s bed en dan maak ik ze wakker.”

De kat spon, maar mijn moeder, die mij had gehoord, maakte zich zorgen. Hoe kon ze mij de teleurstelling besparen? Ze riep de kat bij zich, ergens waar ik haar kon horen, en ze fluisterde:
“Hannie denkt wel dat ze morgen kan lopen, maar dat is niet zo. Wil jij dat even tegen haar zeggen?”

En zo kwam het dat mijn eerste droom niet uitkwam. Ik heb er niet eens zo heel veel om hoeven huilen, omdat ik was voorbereid. Door Pietje, de kat.

Alle kinderen hebben dromen. Dromen over morgen en dromen over de toekomst. Mijn droom was niet realistisch, en mijn moeder heeft er goed aan gedaan om deze droom in duigen te laten vallen. Maar wat ik eigenlijk wil vertellen, is dat de meeste dromen geen bedrog zijn.

Toen ik veertien was, droomde ik ervan zo normaal mogelijk te zijn. Ik ging naar een Mytylschool en daar was ik populair. Maar ik wilde écht normaal zijn, naar een normale school gaan, vriendjes scoren, uitgaan. Al die dingen doen die mijn niet-gehandicapte vriendinnen ook deden. Na een paar jaar ging ik naar een reguliere school in de buurt. Dat was heerlijk: ik voelde me niet meer geïsoleerd van de wereld en ik kon mezelf vergelijken met ‘normale’ mensen. En daarbij bleek ik best goed uit de verf te komen! Ik was happy en had een gezond toekomstperspectief gekregen.

Twee jaar daarna ging ik studeren. Mijn ouders en ik woonden in Assen, helemaal in het noorden van het land, en ik wilde naar Maastricht. Niet omdat ik het uiterste wilde of omdat ik een hekel had aan mijn ouders, maar omdat daar de studie zat die ik graag wilde doen. Het was moeilijk om een woning te krijgen, maar het is gelukt, en omdat ik graag vrij wilde zijn, vroeg ik een auto aan bij het uwv. In deze auto brachten medestudenten, die ik betaalde uit het PGB, me van huis naar de hogeschool en weer terug.

Daar zat ik dan, in Maastricht, met een studie, een grote vriendenkring, een heftig uitgaansleven, interessant vrijwilligerswerk en als klap op de vuurpijl ook nog een leuke vriend, die ik had leren kennen op een dromencursus. Ik had het goed voor mekaar. Toch had ik nog dromen. Mijn studie was namelijk nogal simpel en ook een beetje saai, dus ik wilde diepgang. En zo kwam het dat ik, een paar jaar later, was afgestudeerd als Tolk-Vertaler, maar ook als Cultuurwetenschapper.

Wordt het u al te veel? De dromen waren nog niet op! Met twee diploma´s op zak wilde ik namelijk ook nog een baan. Ik verhuisde naar het midden des lands, waar ik een vacature zag voor docent Nederlands. Ik ging op sollicitatiegesprek, het klikte, ik werd aangenomen. Op voorwaarde dat ik wel mijn eerstegraads bevoegdheid Nederlands ging halen. U voelt hem al aankomen: ik werkte en ik studeerde, en ik raakte bevoegd. Met heel veel plezier heb ik bijna vier jaar voor de klas gestaan.

Sinds maart dit jaar werk ik voor de VSN. Waarom werken bij een patiëntenvereniging, als je ook een ´normale´ baan kunt hebben, denkt u misschien. Het antwoord is: omdat ik nog steeds droom. Ik droom dat alle kinderen en jongeren met een spierziekte durven dromen, dat ze zich niet laten weerhouden door mensen die zeggen dat iets niet kan en dat ze net zo gelukkig worden als ik.

Maar ik heb ook nog persoonlijke dromen. Over anderhalve week hoop ik een rijbewijs te hebben en hopelijk rijd ik over een paar maanden in mijn eigen auto rond. Ik wil nog graag rondreizen door Japan, ik wil het nachtleven opzoeken in New York. Verder hoop ik over een paar jaar moeder te zijn van een prachtig kindje. Dromen te over…

Ik hoop dat dit verhaal u zal inspireren als u nadenkt over de toekomst van uzelf, of uw kind.

Dit is een toespraak die ik hield op een spierziektedag van de VSN. In de zaal zaten andere jongvolwassenen en jongeren met SMA, maar ook ouders van kinderen met deze spierziekte. Ik hoop met deze toespraak iets te hebben bijgedragen aan het beeld dat ouders en jongeren zelf vaak hebben over de toekomst.

Haruki Murakami: Norwegian Wood

Samenvatting
Haruki_murakami_norwegian_wood_1 Watanabe is een stille en buitengewoon serieuze jonge student in Tokio. Hij is dol op Naoko, een mooie jonge vrouw, maar hun wederzijdse liefde wordt getekend door de tragische dood van hun beste vriend jaren geleden. Watanabe went aan het campusleven en de eenzaamheid en afzondering die hij daar ervaart, maar Naoko kan de druk en verantwoordelijkheid van het leven niet verdragen. Terwijl zij zich verder terugtrekt in haar eigen wereld, vindt Watanabe aansluiting bij de andere studenten en voelt hij zich aangetrokken tot een jonge, onafhankelijke en seksueel geëmancipeerde vrouw. Norwegian Wood is een indringend verhaal over romantiek en volwassenheid, over de onmogelijke en dappere liefde van een jonge man. Met deze prachtige en weemoedige roman brak Haruki Murakami door in Japan. Er werden miljoenen exemplaren van verkocht. Aantal pagina’s: 320
ISBN: 2147483647 (bron: site over Murakami)

Mijn mening
Uit dit boek spreekt rust, hoewel er in het verhaal wel degelijk dramatische dingen gebeuren. De integriteit waarmee de dramatiek wordt beschreven, maakt het boek teder. Alle personages wekken sympathie op, zelfs de meest egocentrische en wereldvreemde.

Het is interessant om te lezen over het Japanse studentenleven. Je verwacht iets heel anders dan het bekende, maar in feite is alleen het decor anders dan in Nederland; studenten blijven studenten zoals je ze kent. In die zin wordt het in het westen heersende oriëntalisme enigszins gerelativeerd.

Norwegian Wood bleef nog dagen na het lezen onder mijn huid. Ik kon zelfs niet in een ander boek beginnen!

Anderen aan het woord over Norwegian Wood
Lees ook de recensie van Martin Visser en Yossarian!

Indian summer

Ellis slaakt een zucht
en trekt haar lakens over
Lady Liberty
zwaait ons nog uit

De druppels op het dak
– twee emmertjes
water halen –
vervagen:

<grijsregel>

Rennen   racen   regen
voorbij
Een laatste stuiptrekking
voordat

Opwaaiende zomerjurken
een achtergrond van slagroom
op koffie
“This is what we call an Indian summer.”

© Hann van Schendel, november 2008

 

Wat zonde, zo'n mooi meisje

Zaterdagavond. Ik ben met Melle mee naar een optreden in café Hoppe in Maastricht. Als wij binnenkomen, is het café nog tamelijk leeg. Naast Hilde, een ander ‘aanhangsel’ van een van de bandleden, zet ik mij aan de bar en bestel ik een thee. Gezellig zitten wij te kletsen, als er vier mensen binnenkomen.

Een van de mannen zit steeds mijn kant op te kijken. Ik hoor hem iets mompelen over die toch wel heel mooie rolstoel die zo hoog aan de bar kan staan. Vervolgens: "… ook… mooie vrouw."
Ik draai mijn hoofd en vraag: "Wat zegt u?"
"Niks, niks."

Vervolgens komt een van de vrouwen naar me toe. In plat Maastrichts zegt ze: "Och, wat sundj toch, soe’n sjun mèske en dan in een rolsjteul."

Plaatsvervangende schaamte, geen idee hoe ik dit gesprek de goede kant op kan laten gaan. Ik probeer dus: "Nou, het valt allemaal wel mee hoor, die rolstoel."
"Chèrem, kind, nee, súndj is ut!" Ze draait haar hoofd naar de mannen en zegt: "Kiek nou toch, dei oestraoling, gewèldig!" Vervolgens begint ze weer jammerlijk met haar hoofd te schudden.

Medelijden hebben geeft macht; als iemand medelijden met je heeft, verheft diegene zich ten koste van jou, je wordt als het ware een object. En ik wil subject zijn, dus ben ík liever degene die medelijden heeft.

Er zit in zo’n situatie dus niets anders op dan medelijden hebben met degene die mij degradeert: ‘wat een zielige vrouw, ze denkt dat geluk is gekoppeld aan een gezond lichaam’.

New York-outfit

Ik heb dringend een New York-outfit nodig. Zaterdagnacht vertrekken we al en ik heb slechts één geschikt (= hip, sexy en toch enigszins warm) jurkje om mee te nemen. Ok, en een paar plastic oorbellen met tijgerprint.

Leuke kleding kopen is niet altijd vanzelfsprekend. Dat komt omdat ik een scheve rug heb. Ik ben bijvoorbeeld gek op krijtstreeppakken, katoenen zomerjurken en blousjes met opstaande kraag, maar die kan ik niet aan. Mijn bovenkleding moet namelijk extreem rekbaar zijn, anders gaat het niet over mijn rug. Onderkleding is een stuk makkelijker: driekwart rokken en broeken geven geen problemen, en voor de lange broeken heb ik altijd nog mijn moeder met haar naaimachine achter de hand.

Natuurlijk kun je kleding op maat laten maken. Aangepaste kleding schijnt tegenwoordig zelfs hip te kunnen zijn. Toch vertrouw ik het niet. Als ik de websites bekijk van aangepaste kledingbedrijven als WiCare of It Fits, word ik tamelijk moedeloos. Hobbezakken, brandwerende capes, incontinentieondergoed… Blijkbaar behoor ik niet tot de doelgroep van dit soort bedrijven.

Vandaag waren Melle en ik in een winkel waar ze latex kleding en kleding van leer en lak verkopen. Toegeven, latex trek je niet heel gemakkelijk over je hoofd (het plakt aan je haar en huid), maar het materiaal is ideaal voor scheve ruggen, want het vormt zich perfect naar de vorm van je lichaam. En, niet onbelangrijk: latex maakt onweerstaanbaar.

Zo kwam het dat ik Melle de halve winkel voor mij uit de rekken liet halen: voldeed het kledingstuk aan mijn esthetische normen en was het scolioseproof? Eén stuk kwam in aanmerking voor een passessie: het was een zwart jurkje van soepel lak, met een Chinese halssluiting en een diep decolleté. Maar helaas: zwart is mijn kleur niet en het rode jurkje, normaal ook in de collectie, was uitverkocht.

Ik moet dus nog even verder zoeken naar de perfecte New York-outfit. Misschien neem ik gewoon maar één kledingstuk mee op vakantie, dan heb ik in elk geval een goed excuus om veel dollars uit te geven!

Assertiviteitstraining

Ken jij ze ook, van die mensen die een assertiviteitstraining hebben gevolgd? Daar word je niet blij van; met dat soort types is geen normale omgang meer mogelijk. Toch zou ik zelf wel zo’n training kunnen gebruiken. Ik ben namelijk niet assertief genoeg.

Mensen denken altijd dat ik wel assertief ben. Dit komt vermoedelijk doordat ik een open boek ben; ik zeg wat ik ergens van vind. Vind ik iemand bot, dan zeg ik dat dus. Maar echt bot durf ik zelf niet te zijn; ik zeg het vriendelijk, lief. Ik ben vriendelijk en lief. En zie aldaar mijn probleem.

Mijn rolstoel staat in de hoogste stand en gaat niet meer naar beneden. Dat is lastig, want ik wilde vanavond naar een optreden en kan nu de deur niet uit. Het is niet de eerste keer dat dit probleem zich voordoet; er is de laatste drie weken al vier keer een monteur naar komen kijken. Mijn reserverolstoel staat in de schuur, maar de laatste keer dat ik daar in zat, heb ik vijf dagen niet kunnen zitten van de pijn. Ik moest dus Welzorg bellen.

De monteur zat honderd kilometer van Nieuwegein vandaan en wilde niet komen. Hij raadde mij aan om mijn rolstoel uit te zetten, hem even op de duwstand een stukje voort te laten duwen en vervolgens weer aan te zetten. Dat irriteerde me, aangezien ik al duidelijk had aangegeven dat het waarschijnlijk ging om een mechanisch probleem, en niet om een storing. Toen de rolstoel inderdaad nog steeds dienst weigerde nadat we zijn advies hadden opgevolgd, zei ik:
"Ik denk toch dat u even langs moet komen."

Maar de monteur was zeker niet van plan langs te komen. Drie keer achter elkaar hing hij zijn verhaal op: hij was honderd kilometer bij mij vandaan, had een leenbus met weinig gereedschap; hij dacht dat de storing in de motor zat en dat hij de honderd kilometer dus voor niets zou rijden. Morgenochtend moest ik Welzorg maar bellen, dan zou er een monteur uit de buurt komen. Wat ik ook zei, het enige effect was dat de man aan de telefoon zijn hele riedel nog een keer ophing.

Aan mijn argumenten kan het niet liggen; ik heb debatwedstrijden gewonnen en weet elke afwijzing van de gemeente om te buigen in een positieve beschikking. Nee, ik ben te lief. Een potje ordinair schelden aan de telefoon doet in dit soort gevallen vaak wonderen. Maar dat kan ik niet. Ik voel me er te goed voor en denk de hele tijd: die ander kan er ook niks aan doen dat hij een onbeschofte lul is. Eigenlijk plaats ik me dus boven anderen, wat nog arrogant is ook. Tijd voor een assertiviteitstraining?

Honger doet eten

Deze recensie gaat over de theatervoorstelling Honger, een productie van het zuidelijk toneel, geschreven en uitgevoerd door Nanna Tieman. Het concept, uitvoerig beschreven op de website van het zuidelijk toneel, is fantastisch: het publiek, een klein gezelschap, zit aan een gedekte dinertafel, waarop een heerlijk vegetarisch menu wordt uitgestald. Terwijl de maaltijd door de gasten wordt genuttigd, vertelt de ‘gastvrouw’ het verhaal van een Afghaanse vluchteling die in hongerstaking is.

De recensies waren veelbelovend. Zo las ik op de site van het zuidelijk toneel:

Daar zitten we dan, intiem met z’n achten te luisteren naar een persoonlijk verhaal over een asielzoeker die zich doodhongert. We drinken een wijntje, happen in een toetje. We kunnen ons niet verschuilen in de donkerte van een theaterzaal. Het dringt akelig hard door, tot het als een steen op je maag valt en alle honger doet vergaan. Daar kunnen geen nieuwsbeelden of documentaires tegenop.
Eindhovens Dagblad.

De vermeende tegenstelling tussen heerlijk eten en een verhaal over een man in hongerstaking leek me razendinteressant. Zou ik, al luisterend naar al dat gruwelijks, misschien geen hap door mijn keel kunnen krijgen? Of zou ik juist immuun zijn geraakt voor gruwelijke verhalen, en mijn bord smakelijk leeg eten? En hoe zou ik me dááronder voelen? Schuldig? Nonchalant?

Na de voorstelling. We zitten in het café boven theater Kikker. Naast ons zit Nanna Tieman met een groepje gasten te discussiëren over de voorstelling.
"Maar dat zou een heel andere voorstelling zijn," hoor ik haar zeggen. Ze verdedigt zich. Ze drinkt witte wijn met ijs, rookt aan één stuk door filtersigaretten en vertelt in geuren en kleuren hoe schrijnend de hele situatie was: het is een Waargebeurd Verhaal.   

Ik zit wazig voor me uit te kijken. Melle vraagt me wat er is.
"Ik ben een beetje teleurgesteld." Dat dekt bij lange na de lading niet. Ik ben kwaad, kwaad omdat zo’n prachtig concept naar de kloten is geholpen.

Waar ging het mis? Op de eerste plaats was de tekst niet wat deze geweest had kunnen (en moeten) zijn. In de dagboek-achtige tekst wordt regelmatig uitleg gegeven over de gevoelens van de hoofdpersoon, terwijl die duidelijk zouden moeten worden uit gedachten en handelingen. Het concept Show them, don’t tell is nog niet tot Tieman doorgedrongen, wat tot gevolg heeft dat de toehoorder niet toekomt aan het ontwikkelen van emoties.

Honger is bovendien niet bepaald een eye-opener. Het stuk gaat over de worsteling van een twintiger: kan zij iets betekenen voor iemand in nood, terwijl zij zelf in beslag wordt genomen door dagelijkse beslommeringen? Die worsteling an sich is herkenbaar, maar zeker niet nieuw. Het personage komt weinig verrassend uit de hoek: ik voel me niet betrapt, evenmin worden mij nieuwe inzichten of emoties voorgehouden. Het enige bijzondere is dat ik lekker eet terwijl het verhaal wordt verteld. En zelfs dat is voor de meeste mensen niet echt nieuw.

Dit alles zou helemaal zijn goedgemaakt als Tieman een verpletterende indruk als actrice zou hebben achtergelaten, maar helaas: ook hier liet zij verstek gaan. Ze acteerde onnatuurlijk in haar dialogen en las net iets te veel voor uit haar dagboek, dat op tafel lag. Een enkele keer liet ze de geschreven tekst wel los, maar helaas was zij ook op die momenten niet in staat mij te raken. Dit is een gemiste kans, want de situatie bevat wel degelijk ingrediënten om te raken.

Misschien staat het verhaal nog te dicht bij Tieman en is ze daarom niet in staat om het overtuigend over te brengen. Kill your darlings! Misschien had deze jonge actrice nog tien jaar moeten wachten, zodat ze met wat meer levenservaring in staat zou zijn te verrassen en aan te grijpen. Misschien had een andere acteur het moeten doen, wie zal het zeggen.

Of het nu aan Tieman ligt of aan de timing, het doet er niet meer zoveel toe: het is te laat. Een prachtconcept is ten gronde gegaan.

Toch nieuwsgierig naar Honger? Check dan de speellijst!

Rijexamenstress

Nadat ik bijna twee jaar heb gelest, gaat het er dan echt van komen: morgen ga ik afrijden! Eigenlijk vond ik het veel te lang duren voor het er eindelijk eens van kwam, maar nu, een dag van tevoren, komt het examen toch wel heel dichtbij. Ik heb rijexamenstress!

Mijn lichaam werkt ook al niet mee. Woensdagmiddag kreeg ik een soort uitputtingsaanval. Er kwam niets meer uit mijn handen en ik kon alleen nog maar naar mijn beeldscherm staren. Het alom bekende vaatdoekgevoel maakte zich van mij meester, en bleef twee dagen hangen.

Vrijdagavond ging het beter, maar toen vormde zich opeens een bult op mijn wang, zo groot als een kleine B-cup. Ik had niet echt kiespijn maar toch ook weer helemaal geen kiespijn, en beelden van wortelkanaalbehandelingen op maandagmiddag (een dag voor het rijexamen) doemden op. Inmiddels is de B-cup ingeruild voor een AA-cup maar ben ik nog niet naar de tandarts/huisarts geweest, heb ik de meest hevige menstruatie sinds jaren en denk ik alleen nog maar aan hoe ik de komende nacht moet doorkomen. Fragment uit de afgelopen nacht:
– "Melle"
* "Hmmm..?"
– "Ik lig al een uur wakker en ik kan echt niet meer slapen."

Mijn lief draait zich naar me toe en pakt zacht mijn buikje vast. Binnen enkele minuten slaap ik weer. Hij heeft het er ook maar hard mee te verduren. Zijn voorstel voor deze blog is dan ook: "Laat de lezers met mij meeleven!"

Wil je weten hoe het traject van mijn rijbewijs tot nu toe is verlopen ? Klik dan hier.

Bericht op 25 september:

Ik ben helaas gezakt. Weliswaar op een paar kleine aandachtspunten en met heel veel complimenten over allerlei zaken die wel goed gingen, maar toch. Waar het mis ging? Ik reed te snel af op gelijkwaardige kruispunten (waar niemand van rechts kwam) en ik moest eerder beginnen met spiegelen.

Toch heb ik er geen slecht gevoel over. Ik heb best lekker gereden en zelfs het fileparkeren ging goed! De volgende keer beter dus.

New York City, here we come!

Het gaat door: Melle en ik gaan van 7 t/m 14/15 oktober naar New York! De vlucht is al geboekt. Dat was geen probleem: na wat heen en weer bellen en mailen bevestigde cheaptickets.nl woensdag de vlucht (inclusief de garantie dat de rolstoel mee mag).

Gelijk belde ik mijn ouders en een goede vriendin. Die vriendin wist me gelijk allerlei spookbeelden voor te houden:
– haar nicht die een uur lang in een duister kamertje is verhoord door vijf gewapende agenten, omdat ze op het vliegveld had staan praten met iemand die kennelijk vier kogels in zijn schoenen meedroeg, maar die ze goddank niet kende;
– dezelfde nicht die net een mooie, leren tas had gekocht in New York, die tijdens de extreme controles op het vliegveld aan flarden was gesneden;
– de opmerking dat ik geen vloeibare medicijnen mee kan nemen omdat men mij dan zeker voor terrorist zal aanzien.

Natúúrlijk pappen wij niet aan met foute mannen en ik zal geen leren tassen meenemen uit New York. Wat betreft de opmerking over de medicijnen: ik heb gelijk de huisarts gebeld om te vragen of hij een verklaring wil schrijven, maar deze blijk ik gewoon bij de apotheek te kunnen verkrijgen (een medisch paspoort heet dat; het leven is soms simpeler dan je denkt).

Maar nu komt het ergste: je blijkt de USA alleen binnen te komen als je van tevoren je verblijfsadres kunt aantonen! Nu hadden Melle en ik een spannende reis voor ogen, lekker last minute, lekker vrij. Daar hoorde natuurlijk bij dat we ter plekke wel zouden zien waar we zouden belanden.

Ruim achthonderd euro neertellen voor twee retourtjes zonder maar een glimp van New York op te vangen is ook zo triest. Daarom heb ik maar het zekere voor het onzekere genomen en ben ik op zoek gegaan naar een overnachtingsplek. Betaalbaar, privé (dus niet met z’n twaalven op een kamer) en in het midden van New York, als het even kan. Ok, ik ben naïef, dat geef ik toe (omdat dat ook z’n charmes heeft), maar behalve naïef ben ik ook dom. En dat zit me dwars!

Er moeten concessies worden gedaan, maar welke concessies dan?
– Met z’n twaalven op een kamer kan goedkoop, maar dan nog steeds op z’n voordeligst in Harlem. Dat vind ik dan toch een dubbel nadeel.
– Een private room is, ook buiten hartje New York, duur, en bovendien niet meer beschikbaar.
– Private rooms in hartje New York zijn er wel, maar die zijn een béétje boven ons budget.

Toch kies ik waarschijnlijk voor deze laatste optie. Ik héb het geld namelijk wel, en het lijkt me fantastisch om tussen de jazzbars te zitten en ’s avonds zo dronken te kunnen worden als je maar wilt zonder dat je je zorgen hoeft te maken over de laatste bus.

Daarom heb ik mijn oog laten vallen op het Imperial Court Hotel in Manhattan, hartje centrum en redelijk geprijsd (1380 dollar voor de hele week). Ik belde het telefoonnummer van het boekingsbureau (à 30 eurocent p/min.) om te vragen of het hotel rolstoeltoegankelijk was. Na een minuut of wat aan de lijn gehangen te hebben, kreeg ik te horen dat het boekingsbureau niet over deze informatie beschikt. Ik kreeg het e-mailadres van het hotel, zodat ik zelf even een mail kon sturen (zucht, nog geen hotel).

Inmiddels heb ik het hotel gebeld (gaat toch sneller), en nee, ze waren niet rolstoeltoegankelijk. Toen ik even doorvroeg, bleek echter dat het hotel geen drempels heeft en dat er ruime liften aanwezig zijn. "So I can go into the room with my wheelchair?" Dat kon meneer mij niet bevestigen. Zeker bang om een claim aan zijn broek te krijgen. Ik maakte me niet al te veel zorgen meer, en heb geboekt.

Je moet er dus wat voor over hebben, een tripje naar New York, maar NEE, ik ben nog niet moedeloos! De voorpret gonst door mijn hoofd, ik heb mijn zwarte jurkje al klaar liggen: NYC here we come!

Rico's vleugels – Rascha Peper

Ricos_vleugels

Rascha Peper (1998), Rico´s vleugels. Amsterdam: Nieuw Amsterdam Uitgevers. Veertiende druk 2007.

Rascha Peper is sinds een aantal jaren mijn favoriete auteur wat betreft Nederlandse literatuur. Het boek dat mij écht fan maakte, is Wie scheep gaat. Ook Rico’s vleugels is erg de moeite waard.

Verhaallijn
Een ouder echtpaar, Eduard en Cecile Rochèl, bezit een fameuze SCHELPENCOLLECTIE, die ze aan een museum schenken. Alvorens haar lievelingen uit handen te geven wil Cecile de notatie van vindplaatsen en data perfectioneren.

Zij wordt helaas opgetrommeld door haar stervende zuster en Eduard krijgt door de bemiddeling van Bol zolang assistentie van ene Rico, bezitter van een opgevoerde brommer, een Hell’s Angels jack en ongure vriendjes. Eduard blijkt te vallen op adolescenten en in het bijzonder op deze Rico. Zodra Cecile thuiskomt stuurt ze Rico op een paniekerige, tactloze manier de laan uit. Dat valt verkeerd en hij sticht brand in de villa van de Rochèls, waar de collectie klaar staat om naar het museum te verhuizen. (Bron: Trouw)

Mijn recensie
Rico’s vleugels is een krachtige roman vol met gevoelens, die door de lezer niet worden veroordeeld. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de wijze waarop Peper zich inleeft in haar personages. Zij beperkt zich niet tot een enkele verteller, maar vertelt het verhaal met behulp van een meervoudige personale vertelsituatie, waarbij zij afwisselend het perspectief kiest vanuit Rico, Eduard Rochèl, Ernst Bol en Cecil Rochèl. Dit doet zij overtuigend.

Rico is een jongen van de straat. Hij is opgegroeid in een gezin waar altijd ruzie is en heeft besloten niet meer naar school te gaan. In plaats daarvan hangt hij rond op het strand in zijn badplaats. Het enige wat hem boeit, is zijn brommer, die hij heeft omgebouwd tot Harley. Om een centje bij te verdienen werkt hij bij Rochèl, waar hij helpt met het sorteren van schelpen.

‘Kijk,’zei Rochèl, opstaande. ‘In dat zand zitten hele kleine schelpjes. Zo klein, dat je je ze met het blote oog amper kunt zien; je moet ze onder een loep leggen, maar het zijn schelpjes.’
   Rico staarde hem aan.
   ‘Dus dat verzamelt u ook, dat zand?’
   ‘Ja.’
   Rochèl begon te lachen.
   ‘Wat denk je nu?’ vroeg hij.
   ‘Dat u stapelgek ben!’ flapte hij eruit.
   ‘Heb je dat nu pas in de gaten!’ riep Rochèl en hij lachte nog harder. ‘Maar eerlijk gezegd gaat het mij ook te ver, hoor! Toch zijn er mensen die zich speciaal toeleggen op het bestuderen van die allerkleinste soorten. Dr. Bol vidt ze heel interessant. Daarom hebben wij er een gewoonte van gemaakt van ieder strand waar we komen een zakje zand mee te nemen. Hier ligt zeker van zestig, zeventig stranden!’
   ‘Tsss,’ zei Rico. Echt iets voor een kapsoneslijer van een Bol om dat interessant te vinden, dacht hij.
[…]
   Rico ging pissen, kamde aan het fonteintje op de wc wat water door zijn haar en liep weer naar de werkkamer om zijn T-shirt aan te trekken. (Bron: Peper (1998), p. 122.)

Woorden als ‘kapsonelijer’ en ‘pissen’ vinden we overal terug in het boek op momenten waarop we het verhaal zien door de ogen van Rico. Het woordgebruik voor elk van de drie volwassenen is eveneens eigen. Dit maakt dat je als lezer makkelijk opgaat in de personages en dat ze dus geloofwaardig worden.

Deze geloofwaardigheid zorgt tegelijkertijd voor acceptatie van de personages. Dat Rico bijna in de verleiding komt om geld te stelen uit de portemonnee van Eduard Rochèl (p. 145) vergeven we hem bijvoorbeeld doordat we zijn kinderlijke drang naar bezit begrijpen en daarmee accepteren. Vanuit het perspectief van een toeschouwer die een dergelijke daad veroordeelt, zou de lezer Rico eveneens veroordelen. Dit geldt ook voor de pedofiele gevoelens van Eduard:

Rochèl keek voorzichtig van opzij naar hem. de jongen hing wijdbeens op de bank met een bierglas op zijn kruis en zijn gympies in het grind geplant. Je zag jongens hier de raarste schoenen dragen vol felle neonstrepen en hoog op de enkel, met lippen en banden erover, alsof ze allemaal bang waren voor verstuikingen, maar Rico droeg iedere dag zwarte gymschoenen. Zijn spijkerbroek, steeds dezelfde, was ook zwart. En zijn jack natuurlijk. Alleen het T-shirt, dat hij nu kwijt was, was wit.
   Hij keek tersluiks naar de lieflijke welving in de zwarte spijkerbroek, waar het bierglas op rustte, en hoger, naar de minuscule plooitjes die er onder het openhangende jack in Rico’s middel ontstaan waren, nu hij zo onderuit zat… en krabde op zijn arm die over de rugleuning lag om op die manier een beetje naar de jongen over te kunnen buigen. De geur van leer en jongenszweet drong, door de bierlucht heen, in zijn neus en ook, vaag, die van de brillantine die Rico in zijn haar smeerde, de gel. Dat was een goedkoop citroenluchtje dat ’s morgens, als het net aangebracht was, prikkelend sterk was, maar nu nog slechts nauwelijks waarneembaar. Het melange bedwelmde zijn brein, liet zijn adem stokken en zijn hart haast pijnlijk zwaar slaan. Hij raakte overspoeld door een verliefdheid waaraan hij, van het ene moment op het andere, zo willoos werd uitgeleverd, dat het was of hij aan een soort emotionele incontinentie leed. Hij klemde zijn hand om de leuning van de bank om te voorkomen dat hij Rico naar zich toe zou trekken. (Bron: Peper (1998), p. 133-134)

De emoties en de precieze waarneming van de oude man doen een beroep op de empathie van de lezer. De lezer zal eerder medelijden hebben met Rochèl dan dat hij hem veroordeelt. Ook dit zou anders zijn als deze scène vanuit het perspectief van een veroordelende vertelinstantie zou zijn verteld.

De meervoudige personale vertelsituatie brengt echter ook nadelen met zich mee. Zo wordt de lezer weinig verrast. Als Rochèl toenadering zoekt tot Rico, kennen wij diens reactie en gedachten al voor zijn handelen. We weten dat hij er in het begin een slaatje uit wil slaan door de man geld te laten betalen voor seks, en dat hij (na een aanvaring met zijn moeder) aan de andere kant ook verlangt naar een nieuw leven, op de Filistijnen, met Rochèl. We kennen, met andere woorden, zijn dromen en angsten als hij ingaat op Rochèls avances. Wellicht zou de lezer meer plezier beleven aan het gissen – waarom doet Rico dit? Is hij alleen maar uit op geld, of voelt hij echt iets voor de oude man?

Toch zou iets meer spanning niet opwegen tegen de perfect uitgewerkte personages zoals die er nu staan. Een knap staaltje werk van Peper!