De jacht op het verloren schaap – Haruki Murakami

Alweer een Murakami die me belet om in ook maar enig ander boek verder te lezen: De jacht op het verloren schaap. Dit boek heeft me al weken in de greep en gisteren heb ik het uit gelezen.

Het hoofdpersonage heeft een reclamebureau. Voor een van zijn opdrachten gebruikt hij een foto die hij heeft toegestuurd gekregen van een oude kennis. Kort daarna komt een afgezant van de Leider naar hem toe. De foto moet van de markt worden gehaald, wordt hem medegedeeld. De reden: op de foto staat een schaap met een ster op zijn rug. Dit schaap heeft in de Leider gewoond, maar het is verdwenen. Het hoofdpersonage is aangewezen om het schaap te vinden, binnen een maand, anders heeft het leven voor hem daarna geen enkele zin meer. Zo begint de jacht op het verloren schaap, die ik hier verder niet al te uitgebreid kan beschrijven; de plot in dit boek moet je beslist zelf ontdekken.

Wat me raakt is de voorbestemming van het hoofdpersonage om deze ontdekkingsreis te maken. Aanvankelijk wordt hij gesteund door zijn vriendin – een vrouw met onweerstaanbare oren – maar uiteindelijk staat hij alleen. Dat dat er vanaf het begin al in zit, wordt duidelijk doordat zij geen naam krijgt; ze wordt slechts aangeduid met ‘zij’. Toch zou de reis zonder haar nooit hebben kunnen slagen. Zij voelt namelijk dingen aan; door het volgen van haar intuïtie komt de hoofdpersoon op de plek waar het raadsel zich ontvouwt. De prijs is echter groot: eenmaal op de plek aangekomen vertrekt zij en zal ze nooit meer bij hem terugkeren. De weemoed hiervan blijft hangen, ook al worden dingen op een gegeven moment duidelijk.

Bepaalde stukken van het mysterie blijven bovendien onopgelost, wat een onbevredigend gevoel achterlaat. Dat is misschien de reden dat ik nog niet kan beginnen in een ander boek. Ik wil bijvoorbeeld weten waarom juist het hoofdpersonage is aangewezen om het schaap te vinden, en waarom het überhaupt gevonden moet worden. En hoe zit dat nou met de gave van die vriendin, en waarom mag zij geen getuige zijn van de ontknoping?

Dat deze open plekken niet worden ingevuld, heeft niets te maken met zinloosheid van het verhaal; als lezer ervaar ik absoluut de urgentie van de situatie, ik kan er alleen geen grip op krijgen. Een onbevredigend gevoel dat tegelijkertijd de voedingsbodem is voor een haast onbeschrijflijke bewondering – als een schrijver dat bij zijn lezer teweegbrengt, MOET hij wel geniaal zijn.

100% Kopenhagen – Kopenhagen IV

Ik ben wel van de reisgidsen. Zonder boekje op zak voel ik me een beetje verloren. Aan de andere kant is er niets erger dan een reisgids vol onzinnigheden. Ellenlange verhalen over de ontstaansgeschiedenis van een gehuchtje waar dan een of andere lokale bekendheid heeft gewoond, niet ter zake doende informatie over musea die je toch nooit zou aandoen of een aanbeveling van een veel te duur restaurant. Een reisgids hoort een aanvulling te zijn op je verblijf. Zo’n gids hebben we nu op zak: 100% Kopenhagen, geschreven door de Nederlandse maar in Kopenhagende wonende en studerende Annemarie Zijlstra.

Zijlstra is jong en Kopenhagengek, wat resulteert in een gids die helemaal aansluit bij de interesses van de hedendaagse toerist. De gids bevat zes hoofdstukken met stadswandelingen. Tijdens een wandeling is er voor elk wat wils: bezienswaardigheden, shoppen, eten & drinken en leuk om te doen. De wandelingen zijn behapbaar in tijd en energie en er wordt rekening gehouden met eventuele koffie- en theebehoefte. 

Geen lange beschrijvingen, maar net voldoende om te bedenken of je ergens naartoe wilt. Dat is wat mij betreft genoeg; mocht je meer info willen over een bezienswaardigheid, dan vind je ter plekke vaak genoeg Engelstalige informatie. Zo blijft de gids lekker dun en dus goed mee te nemen tijdens de wandeling.

Opvallend is het hippe karakter van het boekje, zowel wat betreft de selectie die Zijlstra heeft gemaakt als wat betreft de vormgeving. Zo is er geen stadwandeling zonder plek waar hippe locals en kunstenaars komen, wordt er veel aandacht besteed aan (Deens) design en goedkoop maar leuk lunchen. De plekken zijn over het algemeen weinig toeristisch maar erg de moeite waard. Bovendien zijn de foto’s van fotograaf Duncan de Fey adembenemend kleurrijk en creatief.

Bij het bezoek aan een andere stad ga ik zeker nog eens een boekje proberen uit de 100%-serie. Dan kunnen we zien of het gewoon een gave reeks is, of dat alle lof voor Annemarie Zijlstra is.

Deense mannen achter de kinderwagen – Kopenhagen III

Achter Kopenhaagse kinderwagens lopen mannen. Alleen maar mannen, op een enkele uitzondering na. Als Nederlanders zijn wij helemaal niet gewend aan de man als opvoeder en verzorger; wij zien meestal vrouwen rondtuttelen met hun kroost. Mij doet het goed te zien dat het ook anders kan. Mannen in Denemarken nemen hun taak als opvoeder serieus, wat betekent dat vrouwen meer kansen hebben op de arbeidsmarkt. Dat is pas emancipatie: zowel voor de vrouw – die zich op haar carrière mag richten (als zij dat wenst) – als voor de man, die de taak van verzorgende op zich mag nemen (als hij dat wenst). Of zouden ze het gewoon netjes half-half doen: elk drieënhalve dag?

Als we op zondagmiddag in de foyer van het Danish Design Center zitten en we alweer een man met zijn zoontje bezig zien terwijl de moeder van het kind de drankjes bestelt, besluit ik dat ik er meer over wil weten. Ik spreek de man aan en vraag hem of ik een foto van hem en zijn zoon mag maken. Dat vindt hij leuk; hij lacht vriendelijk in de camera en kijkt vervolgens belangstellend naar het resultaat.
“You Danish man are really engaged with your children,” zeg ik vol bewondering.

De man kijkt me een ogenblik aan en legt dan uit dat zijn vrouw een jaar ouderschapsverlof heeft opgenomen. Zij zorgt dus vijf dagen per week voor hun zoon. In de weekends zet hij alles op alles om zo veel mogelijk tijd met hem door te brengen: hij duwt de kinderwagen, hij voedt het kind en hij verschoont de luiers.

Het klopt: we zijn alleen nog maar in het weekend in Kopenhagen geweest. Dan mogen mannen dus ook een dagje achter de kinderwagen. Weg is mijn bewondering.

’s Avonds in het hostel zitten we nog even aan de bar. Ik raak aan de praat met een local, een Deense vrouw die op cursus is in Kopenhagen. Ik leg haar mijn observatie voor om te zien hoe zij erover denkt: “Danish men take good care of their children, don’t they?”

Ze is het er helemaal mee eens; Deense mannen doen het goed in de opvoeding; ze hebben bovendien vaak een serieuze kinderwens. Wat dat betreft is er een hoop veranderd, meent zij: het is niet meer alleen de vrouw die zo nodig aan de kinderen moet. Ik vraag hoe het zit met ouderschapsverlof: nemen mannen ook een jaar op? De vrouw fronst. Helaas krijgen mannen vaak de kans niet om verlof op te nemen, legt zij uit: na een jaar verliezen zij soms zelfs hun baan, terwijl het ouderschapsverlof voor vrouwelijke werknemers veel meer wordt geaccepteerd.

Hoewel ik in eerste instantie een beetje teleurgesteld was in de Deense man, werd ik vandaag, op maandag, aangenaam verrast toen ik een man zag lopen achter een kinderwagen. Het kan dus toch!

Nederlandse man, neem een voorbeeld aan de Denen. En als je door de week niet de kans krijgt om je kind te verzorgen, zet dan in elk geval álles op alles om de kinderwagen op zaterdag en zondag te duwen. Dat is het begin van emancipatie.

Blij met spierziekte – Kopenhagen II

Een unieke ervaring tot nog toe in mijn bestaan: ik ben dankbaar voor mijn spierziekte. Het is niet altijd leuk om rond te crossen in plaats van rond te huppelen, maar tegelijkertijd raak je als spiero verzeild in situaties waarin mijn lopende medemens nooit zou belanden. Behalve Melle dan: die mag meeprofiteren.

De treinreis van Utrecht naar Kopenhagen verliep niet helemaal zoals we ons hadden voorgesteld: er was geen plek om mijn rolstoel te stallen, dus die bleef onbeheerd in het gangpad staan. Toch heeft het gebrekkige rolstoelvervoer ook zo z’n voordelen.

Toen de trein vanmorgen in Kopenhagen aankwam, bleek dat de plank van de gehandicaptenservice met geen mogelijkheid tussen de smalle klapdeuren van de internationale trein paste. Vier mannen van de Deense spoorwegen stonden erbij te kijken, maar geen van hen ondernam ook maar enige actie. Daarom hakte de conductrice de knoop door en vroeg ze Melle om mij in een treinstel op een bank te leggen, zodat de mannen mijn rolstoel uit de trein konden tillen.

Nu ben ik nooit zo’n voorstander van rolstoelen tillen (stel je voor dat ‘ie kapot gaat), maar er viel weinig te kiezen: de mannen kwamen niet met iets beters. Toen ik goed en wel op een bankje lag, kwam de conductrice stoom afblazen: het was echt iets voor mánnen om daar maar zo naar boven te staan kijken met hun handen in hun zakken, alsof God die rolstoel wel even naar beneden zou laten glijden. Dat kon ze echt niet hebben, zulke blöde kerels.

Na ruim drie kwartier bleek er opeens een lift op het station te staan die smal genoeg was. Binnen een minuut stond de rolstoel op het perron en liepen de mannen zonder er een woord aan vuil te maken, weg.

Dit alles zou ik hebben gemist als ik had kunnen lopen. Dan had ik nooit geweten dat Russische conducteurs binnen een uur kunnen omslaan van een opvliegende, vuurspuwende duivel (zie eerdere blog) in een vriendelijke, humoristische kerel, en dat Duitse conductrices zich doodergeren aan lummelende mannen. Bovendien is gebleken dat ik heel goed in staat ben om in kartonnen bekertjes te plassen.

Het allerbeste aan de hele situatie is echter dat we ervan leren: relativeren, improviseren en vertrouwen. Leren reizen is ook een beetje leren leven.

Ich hab' kein rolstuhlplatz – Kopenhagen I

Vrijdag 7 maart 2008, 20.34 uur. We zitten in de trein naar Kopenhagen. Onze reis is nu al avontuurlijker dan we hadden durven dromen. Vorige week nog verzekerde Ingrid van NS International ons ervan dat treinstel 202 een rolstoelcoupé had, en ze wees het rolstoelvignet op haar plattegrond aan. De plaatsen 201 en 203 zagen er inderdaad ruim uit – heel anders dan de opgepropte zespersoons coupés.

Op het perron zag het er echter anders uit dan op het flatscreen beeldscherm van NS International. De smalle deuren bij treinstel 202 waren niet berekend op een rolstoel en de plaatsen 201 en 203 bleken ‘gewoon’ onderdeel van een zespersoons coupé. De NS-servicemedewerkster hielp ons er dus maar een deur verderop in, ondanks een tegensputterende, rood aangelopen conducteur. “Ich hab’ kein rolstuhlplatz!” riep hij. Het mocht niet baten; mijn rolstoel, door alle rugzakken achterop nog groter dan normaal, blokkeerde het veel te smalle gangpad al toen de trein in beweging kwam.

Ons door de trein bewegen leek onmogelijk. Wat nu? In het gangpad blijven staan en daar proberen de slaap te vatten? Ook de conducteur was niet  opgewassen tegen zoveel avontuur. Hij verweet ons dat we geen rolstoelplaats hadden gereserveerd (ik had Melle nog nooit ruzie horen maken, laat staan in het Duits – hij was er trots op).

Gelukkig is Melle de allersterkste en allerliefste man ter wereld. Hij tilde me uit mijn stoel en droeg me door het smalle gangpad naar onze slaapcoupé. De banken zijn hard en het is hier stoffig. Gelukkig kan de deur op slot, want er schijnen ’s nachts mensen beroofd te worden. Plassen op een wc zit er niet in de komende veertien uur, dus zal ik het in een bekertje moeten doen.

Maar weet je? Dit is wat ik wil. Avontuur. Mijn dromen naleven.

p.s.: Mijn haar is superkort, dieppaars en zeegroen!!!

Nachttrein naar het noorden

Geloof het of niet, maar Melle en ik gaan weer op reis. We wilden eigenlijk naar Barcelona, met de trein. Vliegen bleek te duur, en het leek mij bovendien heerlijk: kunnen zeggen dat je de nachttrein naar het zuiden had genomen. Helaas stimuleert Thalys gehandicapte reizigers niet echt om de trein te nemen; je wordt verplicht eersteklas te reizen als je rolstoelgebonden bent. Dan wordt zo’n treinreis al snel duurder dan een standaard vlucht met KLM. 

En dus is het Kopenhagen geworden, als tussenstop op weg naar Stockholm. Binnen een aantal landen in de EU, waaronder Denemarken, mogen gehandicapten gratis een begeleider meenemen in de trein. En wat blijkt? Je kunt voor € 49,- met de nachttrein naar Kopenhagen! Het is dan wel niet Het Zuiden, maar wie kijkt er nou op een beetje windrichting voor die prijs?

Ik heb nog nooit met de nachttrein gereist, maar het lijkt me te gek: snurkende mensen in je cabine, het razende geluid van een trein in de nacht, zelf wakker blijven terwijl iedereen om je heen slaapt. Het wordt een avontuurlijke reis. Behalve onze heen- en terugreis boeken we niets; we willen – met slechts een rugzak achterop – gewoon doen waar we zin in hebben. Dat is volgens mij de essentie van reizen: vrijheid, moed en de bereidheid om je hart te volgen.

Een dag zonder jou

Er hangt geen gevoel vandaag.
Ik me had verheugd
op een dag

waarin ik
opgehitst door kunstzin

pijn zou voelen of liefde
of leegte
tenminste.

© Hann van Schendel, februari 2008 

Seksuele intimidatie op het werk

Seksuele intimidatie op het werk, de damesbladen staan er vol mee. Toch had ik nooit gedacht dat het mij zou overkomen. Tot vandaag. Om op mijn werk naar de wc te kunnen, moet ik met de lift de kelder in. Helaas is het niet echt een betrouwbare lift; mijn (lopende) collega’s zetten hem wel vol met dozen, pakken papier en andere zware spullen, maar zelf nemen ze steevast de trap. Waarom? De lift is al verschillende keren tussen twee verdiepingen blijven steken. Mij is dat gelukkig nog niet overkomen, al vinden sommige collega’s het schijnbaar nodig om mij er elke keer even aan te herinneren hoe onbetrouwbaar het ding eigenlijk is.

Zo ook vandaag. Toen ik in de kelder wilde instappen, haalde de oudpapierman net een container uit de lift. Zelf was hij met de trap naar beneden gegaan en hij zei:
"Mij krijg je niet in dat ding hoor."

Mijn leidinggevende, die toevallig langs liep, merkte op dat je prima met de lift kunt gaan, als je jezelf maar een tijdje weet te vermaken (mocht je blijven steken). De oudpapierman keek me een paar seconden aan en zei toen met een vettige stem tegen mijn baas:
"Nou, met haar wil ik best in de lift hoor, dan vermaak ik me wel een halve dag."

Een seconde lang drong het niet tot me door wat hij bedoelde, tot ik er een beeld bij zag waarvan de rillingen over mijn rug liepen. Totaal geshockeerd reed ik naar binnen en drukte ik op de knop naar boven, waar mijn toilethulp (en tevens goede vriend) me lachend opwachtte. "Moet je gewoon zien als een compliment," vond hij.

Ik ben best ijdel en ik heb normaal gesproken echt geen problemen met wat mannelijke aandacht, maar deze opmerking ervoer ik als ronduit intimiderend. Hoe dat nou komt? Ik heb er twee verklaringen voor: ten eerste vond ik de man onaantrekkelijk, maar veel belangrijker nog: hij sprak OVER mij tegen een andere man, wat mij degradeerde tot een lustobject. Begrijp me niet verkeerd: niks mis met lust, maar dan wil ik wel het subject zijn.

Een tip dus voor elke man die een collega avances wil maken: zeg tegen haar dat je haar leuk/lekker vindt en vraag of ze na werktijd iets te doen heeft. Dan kan ze zelf bedenken of dat een goed idee is. Gegarandeerd meer kans van slagen!

Op de thee

Ze kijken nieuwsgierig als ik de tram binnenrijd en mijn rolstoel omhoog zet om af te stempelen: een vrouw met een stijlvolle, groene hoofddoek en haar twee kids. Het meisje moet een jaar of acht zijn. Ze heeft een gouden knopje in haar neus. Haar kleren zijn typisch voor meisjes van een jaar of acht: roze-rode gymschoenen, een maillot, een korte rok van ribstof en daarboven een niet al te besmettelijke, donkerblauwe jas. Het meest opvallend aan haar is haar Unox-muts, die scheef op haar hoofd staat.

Het jongetje is iets jonger, hooguit zes jaar. Hij kan zijn nieuwsgierigheid nauwelijks bedwingen en bekijkt nog eens goed hoe ik mijn stoel weer laat zakken.

Het is maar goed dat ik heb afgestempeld, want een halte verderop stappen tien controleurs de tram binnen. De vrouw met de hoofddoek pakt drie abonnementen uit haar tas en laat die zien. De controleur loopt verder en ja hoor: raak. Een man heeft geen vier strippen afgestempeld, maar drie. Hij moet met de controleurs mee naar buiten en de tram rijdt verder.

Opgewonden kijkt het jongetje om, waar de man wordt omringd door de tien grote mannen in uniform.
“Heeft hij niet gestempeld?” Sensatie klinkt door in zijn stem.
“Jawel,” zeg ik, “maar niet genoeg. Hij moest vier strippen, maar had er maar drie.”

De jongen begint te glunderen: “Wíj hebben een abonnement!”. Nu mengt ook zijn zus zich in het gesprek: ze vertelt dat hun school het abonnement betaalt, omdat ze altijd met de tram moeten. Ik vraag haar op welke school ze zitten, en zij noemt een naam die ik nog nooit heb gehoord.

Dan gebeurt er iets verschrikkelijk schattigs. Het jongetje roept vol trots: “Mijn moeder gaat ook naar school,” en hij wijst naar buiten: “dáár!”. Hoewel de vrouw zich tot nu toe een beetje afzijdig heeft gehouden van het gesprek, vraag ik haar of ze Nederlands leert. Ze durft te praten, bedachtzaam, en vertelt dat ze inderdaad Nederlands leert, op het ROC.

“Maar wij komen niet uit Marokko, hoor,” onderbreekt het meisje haar moeder vlug. Zij trekt haar Unox-muts recht en ik vraag waar ze dan wel vandaan komen. Met zijn drieën leggen ze uit dat ze uit Afghanistan zijn gevlucht, omdat daar oorlog heerst. Ze zijn nu twee jaar hier.

Ik zou ze het liefst uitnodigen op de thee, want ik vind ze aardig. Maar helaas: we komen aan bij hun bestemming en ze stappen uit. Als de tram verder rijdt, draaien ze zich alledrie om en zwaaien ze me uit. Mocht ik ze ooit weer tegenkomen, die vrouw met haar trotse kinderen, dan bedenk ik me geen tweede keer.

De grootste handicap: spierziekte of vegetarisme?

Het is vrijdagavond zeven uur. We hebben haast: over een half uur gaat de zaal open en om een beetje een goede recensie te schrijven, is een goede plek van belang. En het wordt druk, want Toots Thielemans geeft een concert in het kader van de Leidse Jazzweek.

Om die reden zet ik mijn principes voor één keer opzij en besluiten we voor een snelle hap te gaan, bij McDonalds. Er is geen drempel voor de deur, maar om bij de counter te komen moet je een trapje op. We kijken rond en zien een lift.

“Die kunt u niet gebruiken, hoor.” Een opgeschoten knul met McDonalds-outfit kijkt ons schichtig aan. Hij legt uit dat de lift alleen naar de keuken gaat. “Maar u kunt gerust hier beneden plaatsnemen,” en hij maakt een handgebaar. Om ons heen zitten allerlei mensen te eten, dus ik begrijp niet waarom dat klinkt als een aanbod.

Ik kan de menu’s niet zien, dus vraag ik of er ook menukaarten zijn, zodat ik zelf een keuze kan maken. Menukaarten zijn er niet, evenmin als kaarten in groot lettertype of braille. Normaal gesproken liggen die er wel, weet Melle mij te vertellen. Hij is vaste klant.

En dus gaat Melle het trapje op om uit te zoeken of er vegetarische menu’s zijn. En zowaar: je kunt een vegaburger met frites en frisdrank bestellen, tegen een redelijke prijs. Dat lijkt me wel wat. Door een reclameposter bij de ingang weet ik dat McDonalds ook bruine broodjes verkoopt. Ik bestel dus een vegamenu met een bruin broodje.

Vijf minuten later komt Melle weer beneden. “Ze hebben alleen een vegetarische burger op een wit broodje.” Ik kijk hem vragend aan.
“En die poster dan?”
“Bruine broodjes zijn alleen voor bij de Chicken Gourmet.” Melle kijkt er een beetje hulpeloos bij.
“En als ik nou vijftig cent extra betaal?” probeer ik, maar Melle legt uit dat ze geen bruine broodjes bij een vegetarische burger MOGEN verkopen. Dat staat in de reglementen.

Ik heb alweer spijt dat we de McDonalds zijn binnengegaan, maar tijd om ergens anders nog iets te scoren, is er niet meer: het concert begint over twintig minuten. Daarom neem ik maar een Griekse salade: het enige vegetarische alternatief.

Ik vraag me af of ik dat bruine broodje wél had gekregen als ik zelf mijn bestelling had kunnen doen. In ieder geval zou ik de discussie met zo’n McDonalds-medewerker aangaan, net zo lang totdat ‘ie het zat is en toegeeft. Dat wil ik Melle niet aandoen – niet voor een broodje waarvan hij niet eens zelf kan genieten. Bovendien houdt hij niet van doordrammen. Ik wel, als ik iets maar onrechtvaardig genoeg vind. 

De vraag is dus wat een grotere handicap is: mijn spierziekte of de overtuiging dat je beter geen dode dieren kunt eten. De combinatie is in elk geval fataal, althans: bij McDonalds in Leiden.

De troubadour met de kaartjes

Ze zit al in de trein als ik binnenkom: een grote zwarte hoed op haar hoofd, lang rood golvend haar eronder. Een John Lennon-bril op haar ronde, met kleine rode adertjes getekende gezicht. Ze kijkt niet op of om als ik mijn rolstoel vlak naast haar parkeer, maar houdt haar blik strak gericht op haar handen. Droge handen die trillen.

In haar linkerhand heeft ze een stapeltje kaarten. Ze draait er snel achter elkaar drie om, neemt nauwelijks tijd om ze te bekijken, legt ze onderop de stapel en draait drie nieuwe kaarten om. En nog een. Daar blijft haar blik even op rusten. Dan steekt ze de kaarten terug en blijft roerloos zitten. Naast de vrouw op de grond staat een tas met gouden paletten. Er steken gekleurde indianenpijlen uit. Een vage wierrooklucht dringt mijn neus binnen, gemengd met de geur van oud zweet. Dat heb ik weer. 

Eerst voel ik plaatsvervangende schaamte. Ik kijk de andere kant op, maar wil haar ook niet horen, dus zet ik mijn iPod op. Hopelijk spreekt ze me niet opeens aan, klampt ze zich niet aan me vast om mijn toekomst te voorspellen. Ik kijk uit het raam en neurie zacht mee met de muziek. Er voor iemand zijn die het moeilijk heeft, daar gaat het liedje over. En dan schaam ik mij. Weg met die iPod.

Naast me zit de vrouw alweer kaartjes te draaien: een, twee, drie… vier, vijf, zes, zeven… acht… negen, tien, elf… twaalf. Dan blijft ze een halve minuut naar nummer twaalf staren, bladert terug naar een paar eerder omgedraaide kaarten en steekt alle kaarten terug onder op de stapel. Het valt me op dat ze niet schudt.

"Wat bent u eigenlijk aan het doen?" Ik probeer zo neutraal mogelijk te klinken.
"Oh, gewoon patiencen, maar dan anders."
Als ik haar niet-begrijpend aankijk, voelt ze zich kennelijk aangemoedigd: "De tarot is gewoon ontstaan uit patience, hoor. Kijk, dit was eerst schoppen, en dit harten."Ze houdt twee kaarten omhoog. Moet ik me van de domme houden, hoewel ik ervan overtuigd ben dat mevrouw wanhopig op zoek is naar een profetie uit de eerste hand? Ik knik.
"En bent u dan op zoek naar een bepaalde kaart?"
Nu is het haar beurt om mij niet-begrijpend aan te kijken.
"Omdat u zo snel door de stapel heen bladert."

Ze legt me uit dat ze kijkt naar de volgorde waarin de kaarten verschijnen, en dat ze daar dan verhaaltjes van maakt. Of gedichten, want ze is dichteres. En zangeres, troubadour eigenlijk. Ze heeft me. En dus vraag ik verder.

De vrouw met haar ronde gezicht blijkt een goede verteller – ik hang aan haar lippen als ze vertelt over een verstandelijk gehandicapte die wilde weten hoe de prins van Assepoester dat nou toch deed met die schoen; een schoenenwinkel stond immers vol met paren van dezelfde maat? Haar ogen lichten op als ze vertelt hoe háár uitgeverij de bundel uitbracht van een dichter die ook bij een grote uitgeverij terecht had gekund.

In vijf minuten tijd verandert de vrouw van een lunatic in een inspirerende duizendpoot die hiermee nog haar geld verdient ook – hoewel dit niet altijd van een leien dakje gaat: "Mensen denken altijd dat ik wel kom opdraven voor reiskosten en een kopje koffie, maar ik moet ook gewoon de huur betalen." Vervolgens geeft ze me haar kaartje. "Deze kant is zakelijk, en deze kant," ze draait haar kaartje om, "is privé." Welke zijde voor mij is bedoeld, ontgaat me.

We zijn in Eindhoven. De vrouw staat op en stapt zonder nog een woord te zeggen de trein uit. Ik zie nog net hoe ze haar tarotdek in haar tas laat glijden. Dan is ze verdwenen, mijn troubadour.

Symbiose met ruimte voor eigen sounds

Relaxed achterover leunen en tegelijkertijd op het puntje van je stoel geslingerd worden door spannende sounds. Vaste composities, die van het begin tot het einde aan elkaar worden geïmproviseerd. Het lijkt tegenstrijdig, maar het kan – ik heb het meegemaakt tijdens een concert van The Flatlands Collective.

The Flatlands Collective is een jazzsextet bestaande uit één Nederlander en vijf musici uit Chicago. Het vlakke land waarin ze opgroeiden hebben ze met elkaar gemeen. Hun naam is dus niet willekeurig gekozen, sterker nog: omgeving vormt een belangrijke bron van inspiratie voor de band. Zo zijn de composities geïnspireerd door zaken als misthoorns en schommelstoelen, wat verrassende geluiden oplevert, zoals een trombone zoals je hem nog nooit hebt gehoord – droog, schurend of soepel glijdend, maar altijd loepzuiver -, of een saxofoon die, naast de meeslepende tonen waarvan je hem kent, ook frisse, klakkende geluidjes kan voortbrengen.

Bijzonder is de ruimte die elk instrument binnen de band krijgt. Hoewel de blazers echt de sterren van de hemel spelen – zowel solo als in samenspel -, zijn er ook hoofdrollen weggelegd voor de anders zo vaak weggestopte drums en contrabas. De cello heeft een compleet eigen geluid, dat geheel meevloeit in de kabbelende beken en wild uiteenspattende watervallen van de rest.

Elkaar zoveel ruimte geven voor eigen sounds en tegelijkertijd in volledige symbiose met zes man op het podium staan, is een muzikale topprestatie die je mijns inziens niet mag missen. Dat experimentele jazz zo liefdevol kan zijn! Mocht je vanavond tijd hebben, stap dan in de auto naar Eindhoven. Het is je laatste kans, want het is voorlopig hun laatste optreden in Nederland.

The Flatlands Collective bestaat uit: Jorrit Dijkstra (altsaxofoon, lyricon), James Falzone (klarinet), Jeb Bishop (trombone), Fred Lonberg-Holm (cello), Jason Roebke (contrabas) en Frank Rosaly (drums). Klik hier voor meer informatie over Jorrit Dijkstra en zijn band.