Leven van de kunst

To blog or not to blog? That’s the question. Toen ik dit liedje voor het eerst hoorde, moest ik er wel om lachen. Echt iets voor Morris: hip en toch een beetje gek – een goede combi. Binnen een week was het nummer op Radio 1 en kort daarna kon je het downloaden – tegen een betaalbaar tarief. Van de opbrengst ging Morris een maand naar New York om daar muzikanten te interviewen.

– Ik wil ook een maand naar New York.
* Alsof jij nog niet genoeg op vakantie bent geweest de afgelopen tijd.
– Maar ik wil niet op vakantie, ik wil reizen.
* Je komt net uit Gent. Waar doe je het toch allemaal van?
– Dolen…
* Hey?
– Niet eens een maand, een paar maanden! 
* Waar je het toch allemaal van doet, vroeg ik.

Ik werk. Vier dagen per week. En ja, dan heb je geld om regelmatig een weekje of weekendje op vakantie te gaan. Maar er zijn mensen die op een creatievere manier hun geld verdienen. Morris bijvoorbeeld, of Jan, door wie ik vanochtend uit bed ben gehaald.

Jan is het soort kunstenaar dat geld kan verdienen door en public in een rode overal houten planken aan elkaar te timmeren. Om toch niet aan het einde van zijn geld een stukje maand over te houden, werkt hij erbij als verzorger. En dat doet ‘ie goed: we hebben altijd gespreksstof onder de douche. Eind deze maand gaat hij bijvoorbeeld in India songteksten voor zijn band schrijven en hij is bezig een opleiding in elkaar te zetten voor medewerkers van de – eveneens door hem bedachte – CannaBistro.

Naast mensen als Morris en Jan voel ik me burgerlijk. En laten we eerlijk zijn: op de bonnevoie naar New York of India afreizen om daar te doen wat je moet doen, is ook gewoon spannender dan vier keer per week in de file staan naar je werk – hoe leuk je werk ook is.

Toch kies ik elke dag weer voor de zekerheid van een vast inkomen, zodat ik ’s avonds kan bedenken of ik drie of vier soorten groenten op mijn bord wil en ik niet ben gedoemd om jarenlang helemaal niet op vakantie te kunnen. Want dat risico loop je natuurlijk wel als je moet leven van de kunst. Nee, ik blijf lekker in de file staan voor die toch wel heel leuke baan!

Kinderwens

Geen sociaal leven meer, exit seksleven, snot en vieze vingertjes, onopgeruimde blokkendozen, luizen, een Moederlijk Geweten. Als je dit zo leest, ga je er bijna aan twijfelen, maar toch zou ik ze graag willen: kinderen.

Het is voor niemand vanzelfsprekend dat er kinderen komen en dat die dan ook nog eens gezond zullen zijn, maar voor een vrouw met een handicap is dat nog iets minder vanzelfsprekend. In het verleden heb ik geprobeerd uit te zoeken of mijn kinderwens lichamelijk gezien terecht was. Ver ben ik toen niet gekomen, omdat de longarts en gynaecoloog het niet wenselijk vonden dat een vrouw in een rolstoel (met haar partner) een kind zou krijgen.

Tegenwoordig zijn artsen gelukkig minder dogmatiserend – medische steun bij onze kinderwens is voor mijn vriend en mij niet meer uitgesloten. Toch word je als gehandicapte vrouw met een gezonde partner continu met vragen bestookt waarmee je eigenlijk niet bestookt zou mogen worden: of we wel goed hebben nagedacht over de praktische gang van zaken als het kind er eenmaal is. Wie er dan voor het kind gaat zorgen. Of we ons wel realiseren dat het zwaar wordt.

Ja, we hebben er goed over nagedacht: ik blijf werken en mijn vriend neemt de zorgtaken voor het kind op zich. Is dat zo raar? Ik denk dat onze kinderwens als normaal zou worden ervaren als de rollen zouden zijn omgedraaid – als een gezonde vrouw met haar gehandicapte man een kind zou willen. Dit past namelijk veel beter in ons conventionele plaatje van hoe het hoort: een vrouw zorgt en een man werkt. De reacties uit onze omgeving zijn dus niet alleen een grove belediging voor ons, maar voor alle mannen en vrouwen die de stereotiepe rolpatronen willen doorbreken.

Schone lei in 2008?

Jaarwisselingen zijn goed. Elk jaar weer heb je een schone lei; je kunt opnieuw beginnen: niet meer roken, tien kilo afvallen, geen foute mannen aantrekken, meer tijd besteden aan je vrienden, je ouders, je toch steeds ouder wordende oma… Dat je in feite elke dag opnieuw kunt beginnen, elk moment zelfs, wordt helaas vaak vergeten.

Het jaar 2006 was voor mij een zogenaamd ‘slecht jaar’. Toen ik op 31 december, precies een jaar geleden, met Melle in een hotel in Antwerpen met pen en dagboek in de hand het jaar evalueerde (zoals ik dat elk jaar doe), realiseerde ik mij hoe stressvol dat jaar eigenlijk was geweest. Wel sloot ik 2006 goed af; wie zit er nu niet graag met de liefde van zijn leven vanuit een royaal tweepersoons bed op de tiende verdieping naar het vuurwerk in de stad te kijken?

2007 was het jaar van de veranderingen: op 2 januari werd ik ontzettend geraakt door een passage uit De Zahir (met dank aan Paulo Coelho, en aan Melle, die het me voorlas), in maart startte ik met mijn nieuwe baan bij de VSN en werd ik voorzitter van het Netwerk CG van GroenLinks. Mijn lief en ik zijn acht keer op vakantie geweest en inmiddels dragen we ieder een hele fijne, roodgouden verlovingsring.

Ik heb het dus goed gedaan in 2007. Voor mij dan ook geen goede voornemens. Wel heb ik dromen en verlangens. In januari hoop ik duidelijk te hebben of we onze kinderwens voortgang mogen bieden. Met mijn werk wil ik veel jongeren met een spierziekte (en hun ouders) bereiken. Ik hoop dat zij op elk moment in 2008 stappen zullen ondernemen om zelfstandiger te worden, en zo nodig zal ik hen daar, desnoods in mijn vrije tijd, bij begeleiden. In de politiek hoop ik dingen te bereiken: een toereikend participatieplan voor chronisch zieken en gehandicapten in Nederland, maar ook een persoonlijke politieke ontwikkeling ga ik niet uit de weg.

Kortom: 2008 wordt een mooi jaar!

La Tourneuse de Pages – Denis Dercourt

Tourneuse2 Ik zou er een recensie over kunnen schrijven, maar dat doe ik niet. Er zijn namelijk al zó veel lovende woorden aan gewijd, zó veel veel ware en rake woorden, dat het tijdverspilling zou zijn deze opnieuw te kiezen. Toch wil ik je deze filmtip niet onthouden. La Tourneuse de Pages: de beste film die ik in maanden heb gezien. Een rond verhaal en krachtige, maar subtiele personages tegen een prachtig fotografisch decor. Wat wil een mens nog meer?

Mélanie, een tienjarige slagersdochter, heeft een passie voor de piano. Tijdens haar conservatorium-toelatingsproef verliest ze de concentratie door een onoplettendheid van de juryvoorzitster, een bekende pianospeelster (Cathérine Frot). Verbitterd en ontgoocheld beslist ze om het pianospelen voorgoed op te geven.

Een tiental jaar later is Mélanie (Déborah François) een jonge twintiger die als stagiair aan de slag gaat bij een succesvol advocatenbureau. De grote baas, Fouchécourt, is niet toevallig de man van de toenmalige juryvoorzitster, Ariane, die haar droom aan diggelen sloeg. Ze laat zich opmerken en mag aan de slag ten huize Fouchécourt, als oppas van het zoontje. Mélanie is lief, aardig, attent, loopt constant rond met een creepy mysterieuze glimlach en wint al snel het vertrouwen van Ariane, die geen flauw benul heeft dat ze het meisje al eerder heeft ontmoet. Ariane voelt zich zelfs zo goed in de buurt van Mélanie dat ze wordt aangesteld als de persoon die de partituren omdraait. Een belangrijke taak die veel kan betekenen voor de prestatie van de gevierde pianiste. En dan begint Mélanie haar eigen spel te spelen… (bron: http://www.digg.be/movie.php?id=1134)

Meer lezen over La Tourneuse de Pages? Klik dan hier. Tourneuse1

Captain's courage

Captain’s courage. We lezen de titel en bekijken het schilderij, gemaakt door Tim Braden. Vier mannen op een boot vechten tegen het hoge water. Het is een tweeluik: aan de rechterkant zie je een wereldkaart, geschilderd op een houten plaat met een handgreep. De plaat blijkt tussen twee geulen (aan de boven- en onderkant) te zitten en is dus verschuifbaar.

"Moet je kijken!" Ik wijs opgetogen naar het rechterdeel van het schilderij. "Daar zit nog iets achter!"

Melle inspecteert de constructie en is het met me eens: we hebben hier overduidelijk niet te maken met een tweeluik, maar met een drieluik. De wereldkaart kan over de mannen in de boot worden geschoven, waardoor er een derde beeld tevoorschijn zal komen.

"Maar zou dat wel mogen?"

"Tuurlijk," zeg ik stellig, "daar is het toch voor bedoeld? Bovendien: het heet Captain’s courage. Dat is een hint." Ik ben dol op hints. En op interactiviteit. Dat heeft Braden mooi bedacht.

De plank is een beetje kromgetrokken door de verf, dus hij schuift niet zo makkelijk. Even nog kijken we elkaar aan: zou dit echt wel de bedoeling zijn? "Ja", besluit ik, "overduidelijk".

Op het moment dat Melle zich schrap zet, komt de plank in beweging. En inderdaad: we hebben het kunstwerk tot zijn recht gebracht; achter de plank vandaan ontvouwen zich formules van wit krijt op zwart schoolbord.

Sirenes. Een conservator snelt op ons af. Hij schreeuwt dat Melle los moet laten, dat dit niet mag, dat dit deel van het museum alleen kijken is, niet aanraken, dat hij er iemand bij gaat halen, dat dit toch niet kan, dat hier een melding van gemaakt moet worden.

Er verschijnt een vrouw in uniform. We moeten mee naar een achterkamertje, waar we nog eens berispend worden toegesproken. Mijn telefoonnummer en e-mailadres worden genoteerd.

"Waarom hangt er geen bordje bij? ‘Niet aanraken’ of, als dat de bedoeling zou zijn, ‘Aanraken toegestaan’?"

"Dit is de eerste keer dat dit gebeurt, mevrouw."

Dat kan ik haast niet geloven. Zou niemand het eerder hebben geprobeerd? Hebben mensen niet doorgezet omdat de plank zo stroef glijdt? Laffaards zijn het, geen moedige kapiteins met het roer in eigen hand.

Eenmaal terug in het museum zien we conservatoren het schilderij bestuderen: de één na de ander loopt er langs. Captain’s courage heeft nog nooit zoveel aandacht gehad. We hebben dus in ieder geval iemand gelukkig gemaakt: de kunstenaar. Wedden dat hij in zijn vuistje zit te lachen? Eindelijk iemand die hem verstaat.

Nieuwsgierig naar de expositie? Klik dan hier. Of bekijk meer werk van Tim Braden.

Fucking veel van iemand houden

"Wendelaa houdt fucking veel van Jill". Deze ’tik’ kwam ik tegen op Hyves, op de persoonlijke pagina van een 14-jarige dame. Fucking veel van iemand houden, dat is nog eens mooi! Is het ziel wat zich toont? Of ben ik gewoon geen puber meer, maar een oude taart, die niet meer in staat is om fucking veel van iemand te houden?

Ik kies voor de ziel, want het gaat natuurlijk niet om dat puberale woord fucking. Wat me wél raakt, is de tegenstelling tussen het rauwe fucking en het lieflijke houden van. Deze combinatie associeer ik met de samentrekking tussen bitter en zoet – hoewel bitterzoet inmiddels zo´n cliché is geworden dat de gemiddelde Nederlander er niet meer warm of koud van wordt.

Fucking veel van iemand houden veroorzaakt in mij eenzelfde soort trilling als kunst, maar dan vooral kunst die ik zelf ga maken, plannen over kunst, nog niet verspilde kunst, voorstellingen van happenings die IK heb gemaakt. Happenings met foto’s, muziek en filmpjes van duistere plekken en op de achtergrond het geluid van een speeldoos. Of een baby die huilt. Een vollopend bad.

Wendelaa heeft iets in me losgemaakt wat er goddank nog zit.

Grote, grijze, vierkante klompen

Er is maar één grote frustratie in mijn leven: orthopedisch schoeisel. Van mijn twaalfde tot mijn vierentwintigste ben ik op sokken door het leven gegaan, want gehandicaptenschoenen, die hoefde ik niet. Grote, grijze, vierkante klompen boven een paar wielen, dat is echt geen porum.

Totdat mijn revalidatiearts in het jaar 2000 tegen me zei dat ook orthopedische schoenen heus wel mooi kunnen zijn. Ze overtuigde me; ik ging naar een orthopedische schoenmaker en liet me twee paar schoenen aanmeten, een zomer- en een winterpaar. Het enige criterium dat ik had: ze moeten mooi zijn. Het werden prachtige schoenen, vooral het zomerpaar, dat ik zelf had ontworpen. Jarenlang had ik geen behoefte aan een nieuw paar; mijn schoenen slijten niet zo snel.

Vorig jaar vond ik het echter weer eens tijd worden voor een nieuw paar. Laarzen moesten het worden, want die horen toch op zijn minst in de collectie van elke vrouw thuis. Ik zocht het telefoonnummer van Hans, de man van mijn dierbare zomerpaar. Hij werkte nog steeds in Maastricht. Dat is best een eind weg van Nieuwegein. Ik besloot mijn argwaan tegen onbekende schoenmakers opzij te zetten en vond Jos, een schoenmaker in Utrecht. Hij maakte het prachtigste paar orthopedische laarzen dat ik ooit heb gezien, waardoor mijn vertrouwen in schoenmakers op slag steeg.

Helaas ging het de keer daarna mis. Jos was ziek en dus hielp zijn zus me met het uitzoeken van een voorbeeldpaar uit de catalogus. Vrouwen onder elkaar, het was in elk geval gezellig. Ik koos een hip paar uit met een ietwat sportieve zool. Toen ik drie maanden later terug kwam om ze te passen, schoten de tranen me in de ogen. Het waren logge, afschuwelijk gevormde schoenen geworden. Op mijn vraag hoe dat nou toch kon, antwoordde Jos dat het model niet echt geschikt was voor zulke scheve voeten als die van mij. Hij heeft zijn best gedaan om er nog iets aan te veranderen, maar eerlijk is eerlijk: ik heb ze hooguit twee keer gedragen.

Het kwam allemaal door die zus; zij had me een paar aangesmeerd dat ongeschikt was voor mijn voeten. Jos kon het beter, dus bestelde ik gelijk een reservepaar: roze met rode gympen. Prachtig zouden ze worden, ik droomde er vijf maanden van.

Tot afgelopen maandag, toen ik ze kon komen passen. Alleen bij een blik in de doos al wist ik het: dit waren de lelijkste orthopedische schoenen die ooit voor me waren aangemeten. Ik bleef stil toen Jos ze uit de doos pakte, tot hij vroeg wat ik ervan vond.
"Afschuwelijk. Daar ga ik echt niet mee over straat."

Hij was teleurgesteld. Jos doet namelijk erg zijn best op elke schoen die hij maakt. Hij liet me terloops weten dat hij ze niet over kon maken, omdat er nu al heel veel geld in was gestoken. Een beetje aanpassen kon hij ze, en daar ging hij ook echt zijn best voor doen, maar ik moest geen wonderen verwachten; ik had nou eenmaal hele scheve voeten. Wat ik ook zei, hij sloeg hooguit zijn ogen neer (en biechtte me op dat hij in de toekomst geen schoenen meer voor mij durfde te maken omdat ik nooit tevreden was).

Thuis moest ik eerst drie keer slikken, twee keer vloeken en vervolgens een hele middag geld uitgeven voor ik me beter voelde (ik blijf een vrouw, schoenen of niet).

Ik zal dus nog tien jaar met mijn laarzen moeten doen en daarna neem ik ze mee naar een onbekende schoenmaker en zeg ik hem dat hij ze precies namaakt: in het roze, groen, turquoise en zwart. Dan hoop ik ook de tien jaar daarna geen schoenmaker meer nodig te hebben.

Rood

Rood is niet langer de kleur van de liefde of de kleur van het Red Light District; rood is de kleur van mijn haar. Sinds gisteren is mijn haar Rood.

Eigenlijk wilde ik het al in New York laten doen, maar in East Village, the place to be als het gaat om het verven van haar in heftige kleuren, waren alleen kappers in kelders of op zolders te vinden. En dus ging ik gisteren naar mijn oude vertrouwde kapster Carola. Ze werkt bij Team Kappers in Nieuwegein.

Toen ik zei dat ik het Heftig Rood wilde, kreeg ik een staaltje met wat kleuren te zien. Ouwe-vrouwen-kleuren-rood, vond ik. Toen kwam er een wat gewaagdere staal op de propeen. Helaas, ook hier vond ik niets van mijn gading. Carola keek me met open mond aan. Toen zei ze:
“Ik weet wel iets, maar weet je het zeker?”
Ik knikte.
“Echt?”

En zo geschiedde het. Er werd een mengsel gebrouwen, waarmee mijn haar vervolgens zorgvuldig werd ingesmeerd.
“We moeten wel zeker weten dat het goed gaat.” Carola was duidelijk nog steeds minder zeker van haar zaak dan ik.

Gedurende het half uur intrekken zag ik mijn haar steeds lichter worden. Na het uitspoelen bleek ‘rood’ niet meer van toepassing; ik leek meer op een kruising tussen Pippi en Bassie. Carola zag mijn blik en vroeg: “Wat vind je ervan?”
“De felheid is mooi, maar ik had het toch iets roder bedacht.”
Carola knikte, en haalde een tube Action Paint Extra Red van achteren. Dit moest voor een iets diepere teint zorgen.

Het resultaat is verbluffend: toen ik vanmorgen in de spiegel keek, werd ik op slag verliefd op de dame die ik zag!

Dromen

Ik wil u graag iets vertellen over mijn dromen. En dan bedoel ik niet die dingen die je ’s nachts hebt, als je slaapt, maar dagdromen. Dromen over het leven.

In elke fase van je leven heb je andere dromen. De eerste droom die ik mij kan herinneren, was dat ik kon lopen. Op de dag voor mijn vierde verjaardag hoorde mijn moeder mij tegen de kat fluisteren:
“Ik heb een verrassing voor papa en mama. Morgen word ik wakker en dan kan ik lopen. Dan ga ik naar papa en mama’s bed en dan maak ik ze wakker.”

De kat spon, maar mijn moeder, die mij had gehoord, maakte zich zorgen. Hoe kon ze mij de teleurstelling besparen? Ze riep de kat bij zich, ergens waar ik haar kon horen, en ze fluisterde:
“Hannie denkt wel dat ze morgen kan lopen, maar dat is niet zo. Wil jij dat even tegen haar zeggen?”

En zo kwam het dat mijn eerste droom niet uitkwam. Ik heb er niet eens zo heel veel om hoeven huilen, omdat ik was voorbereid. Door Pietje, de kat.

Alle kinderen hebben dromen. Dromen over morgen en dromen over de toekomst. Mijn droom was niet realistisch, en mijn moeder heeft er goed aan gedaan om deze droom in duigen te laten vallen. Maar wat ik eigenlijk wil vertellen, is dat de meeste dromen geen bedrog zijn.

Toen ik veertien was, droomde ik ervan zo normaal mogelijk te zijn. Ik ging naar een Mytylschool en daar was ik populair. Maar ik wilde écht normaal zijn, naar een normale school gaan, vriendjes scoren, uitgaan. Al die dingen doen die mijn niet-gehandicapte vriendinnen ook deden. Na een paar jaar ging ik naar een reguliere school in de buurt. Dat was heerlijk: ik voelde me niet meer geïsoleerd van de wereld en ik kon mezelf vergelijken met ‘normale’ mensen. En daarbij bleek ik best goed uit de verf te komen! Ik was happy en had een gezond toekomstperspectief gekregen.

Twee jaar daarna ging ik studeren. Mijn ouders en ik woonden in Assen, helemaal in het noorden van het land, en ik wilde naar Maastricht. Niet omdat ik het uiterste wilde of omdat ik een hekel had aan mijn ouders, maar omdat daar de studie zat die ik graag wilde doen. Het was moeilijk om een woning te krijgen, maar het is gelukt, en omdat ik graag vrij wilde zijn, vroeg ik een auto aan bij het uwv. In deze auto brachten medestudenten, die ik betaalde uit het PGB, me van huis naar de hogeschool en weer terug.

Daar zat ik dan, in Maastricht, met een studie, een grote vriendenkring, een heftig uitgaansleven, interessant vrijwilligerswerk en als klap op de vuurpijl ook nog een leuke vriend, die ik had leren kennen op een dromencursus. Ik had het goed voor mekaar. Toch had ik nog dromen. Mijn studie was namelijk nogal simpel en ook een beetje saai, dus ik wilde diepgang. En zo kwam het dat ik, een paar jaar later, was afgestudeerd als Tolk-Vertaler, maar ook als Cultuurwetenschapper.

Wordt het u al te veel? De dromen waren nog niet op! Met twee diploma´s op zak wilde ik namelijk ook nog een baan. Ik verhuisde naar het midden des lands, waar ik een vacature zag voor docent Nederlands. Ik ging op sollicitatiegesprek, het klikte, ik werd aangenomen. Op voorwaarde dat ik wel mijn eerstegraads bevoegdheid Nederlands ging halen. U voelt hem al aankomen: ik werkte en ik studeerde, en ik raakte bevoegd. Met heel veel plezier heb ik bijna vier jaar voor de klas gestaan.

Sinds maart dit jaar werk ik voor de VSN. Waarom werken bij een patiëntenvereniging, als je ook een ´normale´ baan kunt hebben, denkt u misschien. Het antwoord is: omdat ik nog steeds droom. Ik droom dat alle kinderen en jongeren met een spierziekte durven dromen, dat ze zich niet laten weerhouden door mensen die zeggen dat iets niet kan en dat ze net zo gelukkig worden als ik.

Maar ik heb ook nog persoonlijke dromen. Over anderhalve week hoop ik een rijbewijs te hebben en hopelijk rijd ik over een paar maanden in mijn eigen auto rond. Ik wil nog graag rondreizen door Japan, ik wil het nachtleven opzoeken in New York. Verder hoop ik over een paar jaar moeder te zijn van een prachtig kindje. Dromen te over…

Ik hoop dat dit verhaal u zal inspireren als u nadenkt over de toekomst van uzelf, of uw kind.

Dit is een toespraak die ik hield op een spierziektedag van de VSN. In de zaal zaten andere jongvolwassenen en jongeren met SMA, maar ook ouders van kinderen met deze spierziekte. Ik hoop met deze toespraak iets te hebben bijgedragen aan het beeld dat ouders en jongeren zelf vaak hebben over de toekomst.

Haruki Murakami: Norwegian Wood

Samenvatting
Haruki_murakami_norwegian_wood_1 Watanabe is een stille en buitengewoon serieuze jonge student in Tokio. Hij is dol op Naoko, een mooie jonge vrouw, maar hun wederzijdse liefde wordt getekend door de tragische dood van hun beste vriend jaren geleden. Watanabe went aan het campusleven en de eenzaamheid en afzondering die hij daar ervaart, maar Naoko kan de druk en verantwoordelijkheid van het leven niet verdragen. Terwijl zij zich verder terugtrekt in haar eigen wereld, vindt Watanabe aansluiting bij de andere studenten en voelt hij zich aangetrokken tot een jonge, onafhankelijke en seksueel geëmancipeerde vrouw. Norwegian Wood is een indringend verhaal over romantiek en volwassenheid, over de onmogelijke en dappere liefde van een jonge man. Met deze prachtige en weemoedige roman brak Haruki Murakami door in Japan. Er werden miljoenen exemplaren van verkocht. Aantal pagina’s: 320
ISBN: 2147483647 (bron: site over Murakami)

Mijn mening
Uit dit boek spreekt rust, hoewel er in het verhaal wel degelijk dramatische dingen gebeuren. De integriteit waarmee de dramatiek wordt beschreven, maakt het boek teder. Alle personages wekken sympathie op, zelfs de meest egocentrische en wereldvreemde.

Het is interessant om te lezen over het Japanse studentenleven. Je verwacht iets heel anders dan het bekende, maar in feite is alleen het decor anders dan in Nederland; studenten blijven studenten zoals je ze kent. In die zin wordt het in het westen heersende oriëntalisme enigszins gerelativeerd.

Norwegian Wood bleef nog dagen na het lezen onder mijn huid. Ik kon zelfs niet in een ander boek beginnen!

Anderen aan het woord over Norwegian Wood
Lees ook de recensie van Martin Visser en Yossarian!

Indian summer

Ellis slaakt een zucht
en trekt haar lakens over
Lady Liberty
zwaait ons nog uit

De druppels op het dak
– twee emmertjes
water halen –
vervagen:

<grijsregel>

Rennen   racen   regen
voorbij
Een laatste stuiptrekking
voordat

Opwaaiende zomerjurken
een achtergrond van slagroom
op koffie
“This is what we call an Indian summer.”

© Hann van Schendel, november 2008

 

Wat zonde, zo'n mooi meisje

Zaterdagavond. Ik ben met Melle mee naar een optreden in café Hoppe in Maastricht. Als wij binnenkomen, is het café nog tamelijk leeg. Naast Hilde, een ander ‘aanhangsel’ van een van de bandleden, zet ik mij aan de bar en bestel ik een thee. Gezellig zitten wij te kletsen, als er vier mensen binnenkomen.

Een van de mannen zit steeds mijn kant op te kijken. Ik hoor hem iets mompelen over die toch wel heel mooie rolstoel die zo hoog aan de bar kan staan. Vervolgens: "… ook… mooie vrouw."
Ik draai mijn hoofd en vraag: "Wat zegt u?"
"Niks, niks."

Vervolgens komt een van de vrouwen naar me toe. In plat Maastrichts zegt ze: "Och, wat sundj toch, soe’n sjun mèske en dan in een rolsjteul."

Plaatsvervangende schaamte, geen idee hoe ik dit gesprek de goede kant op kan laten gaan. Ik probeer dus: "Nou, het valt allemaal wel mee hoor, die rolstoel."
"Chèrem, kind, nee, súndj is ut!" Ze draait haar hoofd naar de mannen en zegt: "Kiek nou toch, dei oestraoling, gewèldig!" Vervolgens begint ze weer jammerlijk met haar hoofd te schudden.

Medelijden hebben geeft macht; als iemand medelijden met je heeft, verheft diegene zich ten koste van jou, je wordt als het ware een object. En ik wil subject zijn, dus ben ík liever degene die medelijden heeft.

Er zit in zo’n situatie dus niets anders op dan medelijden hebben met degene die mij degradeert: ‘wat een zielige vrouw, ze denkt dat geluk is gekoppeld aan een gezond lichaam’.