Re-united

Daar staat hij: grijs en met een nieuweApril_2008_004_2 bril, maar voor de rest is hij precies mijn oude leraar Engels. Voor de klas, niemand heeft ook maar een bladzijde gelezen, maar toch worden we overhoord. Medelijden om de verhalen die een leerling verspreidt: "Alweer een andere man nam de telefoon op; zou hij orgies houden thuis?" Ik heb ooit één keer gespiekt. Dat was bij hem.

"Meneer Franzen!"
Een brede glimlach om zijn mond. "Hannie."
"Ik heb u altijd nog eens willen vertellen dat ik echt veel heb gehad aan het project Black Americans. Laatst was ik in Kopenhagen, waar ik de documentaire Strange Fruit heb gezien, met dat lied van Billy Holliday." Ik kijk hem vragend aan en hij knikt bevestigend. "Toen moest ik weer denken aan The Black Panters en aan dat fantastische project."

Meneer Franzen lijkt ontroerd en begint vol passie te vertellen over hoeveel geld onze klas hem wel niet heeft gekost omdat we ’s zomers altijd een ijsje wilden.

Ik heb een reünie van mijn middelbare school. Een vreemde, nostalgische gebeurtenis. Bij binnenkomst alleen al komen talloze geurherinneringen op. Als je niet beter weet, noem je de geur in die gang misschien een typische schoolgeur – maar voor mij is deze specifieke geur onlosmakelijk verbonden met wiskundeles, mijn (vermeende) liefde voor meneer Van Werven en natuurlijk José, met wie ik Frans volgde in een aanliggend lokaal. In een ander deel van de school, bij het biologielokaal, hangt weer een heel andere geur. Geen idee of ik die twee geuren dertien jaar geleden van elkaar had kunnen onderscheiden, maar plop, daar zijn heel andere herinneringen: herinneringen aan de Theetent en aan tussenuren, aan Peter-Paul en aan meneer De Goede (die goddank nooit in de Theetent kwam).

Als ik hoor over de reünie, staat als een paal boven water: daar wil ik heen. Kijken of Franzen nog steeds mintgroene stropdassen draagt op faalblauwe pullovers met gele sterren, weten of mevrouw Rientjes nog steeds niet overspannen is. Ik wil daar zijn met mijn vriendinnen, maar Margreet kan niet en Hanne begint terstond te puffen bij het idee alleen al dat gebouw ooit weer in te moeten – dat vreselijke gebouw waar ze zes jaar lang met tegenzin naartoe is gefietst. Toch is ze er – net als Mira, José, Peet en een heleboel anderen.

Het gekke is: niemand is veranderd. Oké, Peter-Paul heeft kort haar en een goede baan, Nienke en Rosalie hebben allebei kids en Mira heeft tussendoor twee andere namen gehad, maar what’s in the name? De betrokkenheid bij elkaar is binnen no time weer als toen. Dat blijkt als we ’s avonds, na de reünie, met elkaar zitten te eten in een pizzeria van toen.

Er spelen wel andere dingen. We hebben het niet over verliefdheden, proefwerken en muziek, maar over relatieproblemen, carrièrekeuzes en huizen opknappen. We zijn zomaar ineens dertig. En toch, er is niets veranderd.

Slow sex: niet preuts en niet onverschillig

Beeldvorming rondom seksualiteit is hot. Kijk naar Beperkt Houdbaar, lees de Trouw van vandaag over Slow sex, zie de veertien publicaties die zijn verschenen in de reeks van het Waterlog seksdebat, en je weet dat de huidige beeldvorming rondom seksualiteit en uiterlijk niet langer mag worden geaccepteerd. Daarom wordt maandagavond in Paradiso Slow sex: een erotisch beschavingsoffensief gepresenteerd – een boek met alternatieven voor de hiphopcultuur en de scheve beelden die meisjes door de pornoficatie van zichzelf krijgen. Op de avond verschijnen grote namen als Baukje Prins, Maaike Meijer en Femke Halsema. Eigenlijk zou ik daar moeten zitten, want ik ben afgestudeerd op beeldvorming van vrouwelijke seksualiteit. Sterker nog, mijn scriptie werd genomineerd voor de Nationale Scriptieprijs; ik mag mijzelf expert noemen.

We zijn te ver doorgeschoten in de MTV-cultuur, vinden velen. Vrouwen moeten niet worden weergegeven als gewillige sletjes die het voor een Breezer doen, dan verdwijnt al het mooie aan seks. Aan de andere kant is een onthoudingsregime zoals we bij EO-jongeren en andere streng religieuzen tegenkomen, geen alternatief. Seks is niet iets vunzigs, maar je hoeft jezelf ook niet weg te geven. Het wordt dus tijd voor een ander beeld: niet preuts en niet onverschillig.

Slow sex biedt een alternatief:

Slow sex is seksualiteit op basis van gelijkwaardigheid. Bij slow sex behandelen we seksualiteit noch als een gevaarlijke oerkracht, noch als een consumptie-artikel. Slow sex is een kritiek op de vermarkting van onze lusten, maar ook op de christelijke en islamitische preutsheid. Het is een oproep om seks buiten de wereld van prestatie, van scoren, van macht en onderdrukking te houden. Het is ook een nieuw ideaal, dat houvast kan geven na de verwarring die is ontstaan na een maar voor de helft voltooide seksuele revolutie (precies). Slow sex pleit voor aandacht en respect voor je partner en jezelf. En er is niet op tegen om daar als jongere, voor het huwelijk, mee te beginnen, zolang seksualiteit vrij is van dwang en onderdrukking.
(Bron: www.slowsex.nl)

Volgens mij moeten mensen zich nog meer bewust worden van hun seksuele identiteit. Die wordt grotendeels gevormd door de media, dus is het belangrijk dat er een tegenreactie komt op de stereotiepe beelden van Breezer-sletjes, maar ook op die van haast heilig verklaarde Ware Liefde Wacht-meisjes (en hun mannelijke tegenfiguren).

Ik wil daar graag aan bijdragen. Daarom ben ik erbij, maandagavond in Paradiso.

Meer weten? Kijk dan op www.trouw.nl en www.slowsex.nl. Wil je mijn scriptie lezen? Klik dan hier.

Vrouwen aan de top

Vandaag las ik het volgende artikel in de krant:

Donner ziet niets in wettelijk quotum topvrouwen

HILVERSUM (ANP) – Minister Piet Hein Donner (Sociale Zaken) ziet niets in het voorstel van FNV-voorzitter Agnes Jongerius voor een wettelijk quotum voor vrouwen in topfuncties. Dat leidt tot overspannen verwachtingen die niet waar te maken zijn en dat werkt alleen maar averechts. Dat zei de minister woensdag in het radioprogramma De Ochtenden.
FNV-voorzitter Agnes Jongerius wil een wettelijk quotum om te zorgen dat vrouwen over vier jaar 40 procent van de topfuncties bekleden. Volgens haar is in Noorwegen ook pas resultaat geboekt nadat dat land een quotum had ingevoerd.

Volgens de minister heeft Jongerius gelijk dat ze zorgen heeft over het aandeel van vrouwen. Maar het leidt tot de verwachting dat als je iets in de wet zet het gebeurt, zei hij. Dat is niet zo, leert de ervaring met allochtone werknemers.

In Noorwegen moeten sinds januari vier op de tien topbestuurders van beursgenoteerde ondernemingen vrouw moet zijn. „Noorwegen laat zien dat het werkt”, zegt Jongerius. „Ook Spanje en Denemarken nemen hier een voorbeeld aan. Ik zie geen reden waarom wij het ook niet kunnen proberen.”

Volgens Jongerius claimen werkgevers al jaren goede bedoelingen te hebben met vrouwen, maar is het al 25 jaar niet vanzelfsprekend dat vrouwen doorstromen naar de top. „We zijn nu druk aan het lobbyen in de Tweede Kamer voor ons voorstel. Wat mij betreft wordt het quotum dit najaar ingevoerd.”

Recent onderzoek van Eurostat, het statistisch bureau van de Europese Unie, toonde aan dat Nederland achterloopt als het gaat om het percentage vrouwelijke managers. In Nederland is een op de vier managers vrouw, het Europese gemiddelde is een op de drie. Jongerius: „Als het om het percentage vrouwen in de top van bedrijven en non-profitorganisaties gaat, bungelt Nederland samen met Botswana ergens onderaan.”

Een maand geleden pleitte de Nederlandse Eurocommissaris Neelie Kroes al voor het instellen van verplichte quota voor vrouwen in Europese topfuncties. (Bron: Trouw, 3 april 2008)

Verwachtingen wekken werkt averechts, vindt Donner, en daarom moeten we maar geen quotum invoeren. Dit is een drogreden: een quotum werkt niet omdat men eigenlijk geen vrouwen aan de top wil.   

Vrouwen aan de top kunnen een grote meerwaarde hebben voor het bedrijfsleven. Ze leveren namelijk andersoortige prestaties dan mannen. Vrouwen zijn vaak gemotiveerder om topposities te bekleden – juist omdat dit geen vanzelfsprekendheid is  – en dus werken zij harder dan veel mannen, voor wie een toppositie bereikbaarder is. Bovendien blijken vrouwen goede leiders te zijn: ze gebruiken vaker dan mannen de meest effectieve leiderschapstechnieken en bouwen hechtere relaties op met collega’s, wat het zelfvertrouwen in een team versterkt. Een verrijking voor de bedrijfscultuur, zou ik zeggen.

Een ander vaak genoemd argument voor vrouwen op topposities is rechtvaardigheid: waarom zouden vrouwen niet dezelfde posities kunnen bekleden als mannen? Ik persoonlijk vind dit niet het sterkste argument, omdat ik zelf niet op een toppositie terecht wil komen door positieve discriminatie. Dit geldt overigens ook voor mijn handicap; ik vermeld in een sollicitatiebrief niet dat ik een functiebeperking heb, ookal levert dit misschien een voordeel op in de sollicitatieprocedure. Ik wil aangenomen worden om mijn kwaliteiten, niet om mijn geslacht of handicap. Toch maar geen quotum dan?

Helaas lijken we wel een quotum nodig te hebben: op dit moment wordt slechts een vierde van de topposities in het Nederlandse bedrijfsleven bekleed door vrouwen. Dit terwijl vrouwen hoger opgeleid zijn dan mannen. We zullen er dus toch niet aan ontkomen, wat Donner er ook van vindt. Hoe zorg je dat het bedrijfsleven meer vertrouwen krijgt in vrouwelijk leiderschap? Door de kansen voor vrouwen groter te maken. Een quotum zou zo’n kans kunnen zijn.

Voor wie meer wil lezen over vrouwen aan de top, kijk op de site van Women on Top.

Trots op Femke

Ik ben niet erg uitgeslapen vandaag. De oorzaak hiervan is het Fitna-debat in de Tweede Kamer gisteravond. Van zeven tot twaalf heb ik aan mijn laptop gekluisterd gezeten om het debat live te volgen op de website van de Tweede Kamer.   

Het meest opvallend aan het debat is De Omslag. Wilders slaat om. Waar hij in de eerste uren nog wegkomt met een arrogante en ontwijkende houding ten aanzien van de (evengoed scherpe) vragen uit de Kamer, verliest hij in de laatste anderhalf uur de regie. Als een geslagen hond zit hij jankend met zijn telefoontje te spelen en laat hij zich influisteren door zijn rechterhand – de knappe en intelligent ogende Fleur Agema (wat doet ZIJ bij de PVV?).

Aanleiding is ironisch genoeg Wilders’ opmerking dat premier Balkenende zijn excuses moet aanbieden. Balkenende zou ten onrechte paniek hebben gezaaid door te spreken van een crisissituatie in de weken voordat Fitna online kwam, terwijl de premier de film niet eens had gezien. Een opmerking van Wilders om de verantwoordelijkheid van zichzelf af te schuiven, die wat mij betreft helemaal niet serieus genomen moet worden. Maar de Kamer doet dit wel, en dat wordt Wilders’ ondergang.

Uit de verslaggeving van gesprekken tussen Wilders, Ter Horst, Hirsch Ballin en de plaatsvervangend Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding blijkt namelijk dat Wilders zelf aanleiding heeft gegeven tot onrust. Hij zou hebben gezegd dat hij van plan was beelden te laten zien van een Koran die verscheurd of verbrand wordt. Premier Balkenende heeft zich dus terecht zorgen gemaakt, aldus het kabinet.

Wilders zelf ontkent in alle toonaarden. Hij noemt Hirsch Ballin een leugenaar en slaat alle pogingen van Kamerleden om het uit te zoeken, in de wind. "Jullie zoeken het allemaal maar uit," roept hij verongelijkt.

Jammer aan het debat is dat Wilders – ondanks verwoede handreikingen van verschillende Kamerleden – geen nuances aanbrengt. Islam = fout, en verder komt hij niet. Hij ontwijkt relevante vragen, maakt mensen uit voor leugenaar en, het belangrijkste van alles: hij lijkt niet in staat om op een constructieve manier naar oplossingen te zoeken.

Femke Halsema is wat mij betreft de winnaar van het debat. Zij heeft precies benoemd waar GroenLinks en de PVV bondgenoten zijn: in de strijd tegen de radicale islam. Zij erkent de problematiek en zou graag – in dialoog met de PVV, maar ook met moslims, die eveneens slachtoffer zijn van extremisme – werken aan echte vrijheid: vrijheid voor iedereen, moslim of niet. Trots ben ik op haar en op de andere politici (Hamer, Pechtold en Van Geel) die Wilders een inhoudelijke spiegel hebben voorgehouden: waar blijven nou de oplossingen? Wilders is publiekelijk door de mand gevallen. Is het angst aanjagen met loze kreten dan nu voorbij en kunnen we eindelijk inhoudelijk met elkaar in debat? 

Een eigen website

Voor mijn verjaardag heb ik een website gekregen. Van Melle, om mijn blog te upgraden tot iets vets. Iets kunstigs. Iets echt van mij, met mijn eigen domeinnaam en mijn eigen logo. Een pagina waarop ik kunst kon maken.

Nu ben ik haast digibeet te noemen en zie ik als een blok op tegen het in elkaar zetten van zo’n pagina. De vormgeving is het eerste probleem. Ik heb niet voor niets een standaardontwerp genomen voor mijn blog; als je iets moois wilt ontwerpen, moet je van goede huize komen, anders kun je daar beter iemand voor inhuren.

Het tweede punt is de inhoud. Als je iets wilt bijdragen op het web, moet je iets te vertellen hebben, vind ik. Op mijn blog weet ik wat ik wil laten zien: mezelf, in woorden. Die woorden komen steeds gemakkelijker naarmate ik meer schrijf. Maar wat gebeurt er als woorden kunst worden? Horen die dan thuis op een andere website, een website waarop ook andere kunst is te zien? En wat voor kunst dan?

Melle wilde me een duwtje in de goede richting geven. Een domeinnaam is in elk geval het begin van een eigen plek om dingen te creëren – een waardevol gebaar, waarvoor ik hem dankbaar ben. En toch, ik ben er nog niet klaar voor: ik weet nog niet welke plek welk deel van mezelf zou moeten krijgen op mijn site. Het komt erop neer dat ik mijn vorm nog niet helemaal heb gevonden.

Daarom heb ik een Flickr-account aangemaakt, om te beginnen. Flickr is een fotosite. Ik zet er foto’s op die ik kunstig vind, of die ik in elk geval de moeite waard vind om te laten zien. Neem er eens een kijkje als je benieuwd bent naar mijn foto’s.

Pizza's in de vriezer

Ik rijd de huisartsenpraktijk uit. In het halletje van het gezondheidscentrum komt de rookgeur me al tegemoet. Buiten staat een vrouw in een zwarte slobbertrui die haar vetrollen niet kan verbergen. Ze heeft een sigaret tussen haar vingers. Intussen praat ze met een zielig stemmetje in haar mobiel:
“Ik weet het niet, ik krijg zuurstoftabletten, we moeten even afwachten of die aanslaan.” Ze luistert naar haar telefoon.
“Ja, dat begrijp ik. Ik ga heel erg mijn best doen om er morgen weer te zijn, maar ik kan niets beloven.” Ze is even stil.
“Heel erg bedankt voor het begrip. Daag.” Een zwak kuchje voor ze neerlegt.

“Ze staat hier gewoon te roken hoor, zonder jas, en vreet ook te veel!” wil ik heel hard in haar telefoon roepen, maar ik weet me te beheersen en rijd de apotheek binnen. Allerlei oordelen gonzen door mijn hoofd, over haar:
– roken als een ketter terwijl je zuurstofgebrek hebt;
– niet naar je werk gaan terwijl je zonder jas in de kou staat;
– met een zielig stemmetje praten als je de arbodienst aan de telefoon hebt;
– en dan ook nog te veel eten.
(Hoe dom ben je dan?)

Maar ook oordelen over mijzelf:
– wie weet is dit haar eerste sigaret in tien jaar, vanwege de stressvolle situatie;
– afvallen kan ze misschien niet door een ernstige schildklierziekte.
(Ik mag niet oordelen over mensen, dat is pas slecht.)

Als ik de apotheek uit rijd, staat ze weer te bellen. Deze keer niet met de arbodienst, want ze bespreekt het menu voor vanavond:
“Als jij nou naar mij toe komt… Ik heb nog wel een paar pizza’s in de vriezer liggen.” Haar stem klinkt een stuk opgewekter nu. Ze neemt nog een trek van haar sigaret.

Jarig in Kopenhagen

Ik ben vandaag 32 jaar geworden. In Kopenhagen, en het sneeuwt. Ik weet niet of ik ooit eerder sneeuw heb gezien op mijn verjaardag. Wel ken ik alle varianten tussen zon (in de tuin gebak eten) en regen (speurtochten tussen de hoosbuien door), maar mijn laatste verjaardag met sneeuw kan ik me niet heugen.

Jarig zijn vind ik leuk. Als kind verheugde ik me er al vanaf begin januari op, en als het dan eenmaal voorbij was, werd het lente, en dan had ik zes weken zomervakantie, en dan kwam Sinterklaas en dan Kerst en Oud en Nieuw, en voor ik het wist, was ik weer een jaar ouder. In de zomer nadat ik acht was geworden, maakte ik een button met een grote 9 erop, alvast voor mijn volgende verjaardag.
We hadden thuis een heel ritueel rondom verjaardagen, dat tot op de dag van vandaag wordt voortgezet – als mijn ouders en ik tenminste bij elkaar in de buurt zijn. ’s Avonds worden er stiekem slingers en ballons opgehangen, de volgende ochtend ontbijten we met croissantjes, een halfzacht gekookt eitje en vers geperste sinaasappelsap. Daarna bakken mijn vader en ik twee taarten: een appeltaart en een monchoutaart met kersen of aardbeien. Op mijn moeders verjaardag gebruiken we kersen, maar ikzelf heb toch liever aardbeien.

Hoewel mijn plezier in jarig zijn nu minder kinderlijke vormen aanneemt dan vierentwintig jaar geleden, verheug ik me nog altijd op de Grote Dag. Ik kon bijvoorbeeld gisteravond niet zo goed slapen; ik betrapte mezelf op een bepaalde soort zenuwachtigheid. En nu ik hier met mijn lief in het gezelligste café van Kopenhagen zit te brunchen en we plannen maken voor de rest van de dag – naar het By Museum, dan koffie drinken in Det Gule Hus en vervolgens naar ons favoriete vegetarische restaurant in Crisitania om de dag ten slotte af te ronden met de ginger-cheese cake in Wagamama – voel ik me dan ook helemaal jarig!

Ober, ik ben jarig… mag ik een parapluutje op mijn koffie?

De kleine zeemeermin – Kopenhagen VIII

De kleine zeemeermin, je moet haar hebben gezien als je in Kopenhagen bent geweest. Het was vandaag een prachtige dag voor een wandeling; ijzig koud, maar zonnig. Stadswandeling twee uit het boekje leidde ons langs de prachtigste plekken in Kopenhagen. Zo hebben we het koninklijk paleis gezien, de Opera aan het water, een mooie Anglicaanse kerk en als klap op de vuurpijl: de kleine zeemeermin.

Dit kleine beeldje, parmantig zittend op een rots in het water, is razendpopulair bij toeristen. Helaas is ze daardoor ook vaak het mikpunt van allerlei ludieke acties. Ze is al eens ontvoerd, onthoofd en het schijnt dat feministen haar ooit een vibrator hebben gegeven omdat ze daar maar zo alleen op die rots zit. Aan aandacht heeft de meermin echter geen gebrek; er is geen dagdeel dat ze niet wordt gefotografeerd, bekeken, aanbeden.

Eerlijk is eerlijk: het is een mooi beeldje en ik ben dan ook blij dat ik het heb kunnen aanschouwen. Toch is wat er om het beeld heen gebeurt, minstens even interessant als het object zelf. Hele horden mensen poseren met haar op de achtergrond en laten zich fotograferen door iemand die zich vervolgens zelf voor de schaars geklede dame schaart en zich eveneens op de gevoelige plaat laat vastleggen. Schooljongens joelen naar haar, houden spandoeken van voetbalclubs omhoog terwijl ze worden gefilmd en lopen vervolgens ongeïnteresseerd verder naar een van de hotdogwagentjes. Kleine kinderen vinden het water onderaan de stenen kade veel interessanter dan dat ene beeldje, en worden door hun ouders gemaand nu eens stil te staan en in de camera te kijken.

De kleine zeemeermin is vermoedelijk het meest gefotografeerde object van Denemarken. Je moet dus van goede huize komen om een beetje een originele foto van haar te maken. Ik vind Melles poging (zie boven) behoorlijk geslaagd.

Louisiana – Kopenhagen VII

Ja ja, het is ons toch gelukt: we hebben ons per Deense trein verplaatst, en wel 35 kilometer ten noorden van Kopenhagen. Rolstoelgebruikers rijden dit type trein zo in, zonder plank. Voor wie het gat tussen trein en perron te groot vindt, is er een plankje, dat elke conducteur zonder morren uitlegt. Het meest ironische van dit hele verhaal is dat precies deze trein ook naar Malmö (Zweden) rijdt. Als we dat hadden geweten, hadden we wellicht nu in Stockholm gezeten. Maar goed, Stockholm bewaren we voor de zomer.

De reden dat we naar Humlebæk reisden, is dat daar Louisiana ligt, het museum voor moderne kunst. Dat is dan ook de enige reden om naar dit dorp te reizen, want verder valt er weinig te beleven. Het museum was in elk geval erg de moeite waard; we hebben er zes uur rondgelopen.

Wat de meeste indruk op me heeft achtergelaten, is moeilijk te zeggen. De avant-gardistische kunst uit het interbellum sprak me aan, evenals de foto’s van Cindy Sherman. Over beide kunstpraktijken heb ik in het verleden colleges gevolgd voor mijn studie. Ik merk dat dat theoretische kader een meerwaarde heeft bij haast al mijn latere museumbezoeken. Het kunnen plaatsen van kunst in een sociaal-culturele context is niet alleen iets om mee te pochen in het gezelschap waarin je je in begeeft (blabla), maar het is oprecht leuk om bepaalde stromingen of ideeën te herkennen en deze ook in een afwijkend kader te kunnen plaatsen.

Heel indrukwekkend was een enorme zaal, waarin de eerste soloplaat van John Lennon na het  uiteenvallen van de Beatles integraal ten gehore werd gebracht. De van oorsprong Afrikaanse kunstenares, Candice Breitz, had vijfentwintig mensen individueel gefilmd terwijl ze de liedjes met een koptelefoon op meezongen, en deze filmpjes werden tegelijkertijd – in een lange rij naast elkaar – afgespeeld. Het resultaat: een tribal-achtig koor, met vijfentwintig individuele stemmen die je kon horen als je voor het filmpje van een persoon langsliep. Ook had deze kunstenares fans opgeroepen om te poseren voor groepsfoto’s. Er hingen foto’s met fans van onder andere Britney Spears, Grateful death en Abba.

Dan waren er nog de bekende en minder bekende werken van Paul Cézanne, aangevuld met een film over zijn leven als schilder. En het werk van Andy Warhol, en een te prachtige beeldentuin om niet even een kijkje in te nemen.

Eigenlijk is zes uur rondstruinen door een museum waanzin. Ik krijg althans te veel indrukken voor één dag, en bovendien heb ik nog steeds het gevoel dat ik dingen heb gemist. Als we in de zomer naar Stockholm gaan, moeten we misschien dus nog maar een dagje langs Humlebæk.

Atoom geheimen – Marja Pruis

In Hollands Diep, naar eigen zeggen het beste nieuwe tijdschrift van het jaar, staat een foto van haar. Haar boek Atoom geheimen, dat in april verschijnt, wordt gesigneerd cadeau gedaan aan nieuwe abonnees van het tijdschrift. Ik heb het over Marja.

Ze heeft twee boeken geschreven sinds ik haar voor het laatst zag. Bloem heb ik gelezen nog voor het werd uitgegeven. Ik was geraakt; niet zozeer door het boek zelf, als wel door haar. Ze had iets weemoedigs. Zo woonde ze in een stad waar ze niet van hield, maar waar ze niet vandaan kon. Adembenemend mooi was ze, en slim, maar iets weerhield haar ervan om dat zomaar te laten zien.

Ik heb haar niet gevolgd de afgelopen jaren, maar het stukje in Hollands Diep slingert me terug in de tijd. “Pruis gaat in dit luchtig geschreven boek in op de thema’s angst, verleiding en straf.” Dat is zij: de luchtigheid zelve, maar met diepe gronden. Ik ga Atoom geheimen zeker lezen!

Schuilen – Kopenhagen VI

Om ons heen geroezemoezel. Een enkeling zit alleen een biertje te drinken aan de bar, maar voor de rest zijn er vooral grote groepen jongens en meisjes. Ik voel me een beetje alsof ik weer door de gangen rijd van Lek en Linge, de middelbare school waar ik werkte. Het enige verschil is dat deze jongeren allemaal op reis zijn. Ik zit in de kantine van het hostel in Kopenhagen.

Wat doe je op klaarlichte dag in een jeugdherberg? Schuilen. Nestelen. Het regent buiten. En het waait, ik gok windkracht 8. Bij het wakker worden stelde een blik uit het raam ons al een grijze, natte dag in het vooruitzicht. Na het ontbijt zijn we dus nog maar even in bed gekropen. En net, om een uur of vier, wilden we toch de sprong wagen. Gehuld in verwarmende sokken, drie lagen truien, jassen, een muts en een regencape, verlieten we het gebouw. Binnen vier seconden vloog de regencape de lucht in – de wind was eronder geraakt. Als het aankomt op kou en nattigheid ben ik een watje; er zat dus niet veel beters op dan terug het hostel in te gaan.

Als we nu maar vier dagen zouden hebben gehad in Kopenhagen hadden we ons niet laten leiden door een beetje regen en wind, maar doordat we – overigens zonder resultaat – al te veel tijd en energie hebben verloren aan het regelen van instaphulp voor de trein naar Stockholm, hebben we besloten dat Kopenhagen absoluut de moeite waard is om elf dagen te verblijven. Zo komen we niet alleen toe aan de strikt noodzakelijke toeristische bezienswaardigheden, maar ook aan bijkomen van alle indrukken. En aan schrijven; ik ben zelden zo productief geweest.

Ik zie dat de zon op het punt staat weer door te breken, en dat om vijf voor vijf. Het is nooit te laat om erop uit te trekken; we gaan een hapje eten en dan eens kijken hoe het eraan toe gaat in het Kopenhaagse nachtleven.

Homoseksualiteit in Kopenhagen – Kopenhagen V

We hebben inmiddels drie stamkroegen in Kopenhagen: een om te brunchen (Wanna B.), een om in te zakken en op te laden (Det Gule Hus) en een om – na een zwaar culturele dag – te chillen (Oscar).

Oscar is een homocafé. Zo krijgen we een kijkje in de keuken van homo/lesbisch Kopenhagen. En die keuken smaakt beslist anders dan die in Nederland: normaler, haast gewoontjes.

In Nederland moet je als homo van Abba houden, en als dat niet het geval is, leer je de Zweedse leuke-liedjesband vanzelf waarderen; ik ben nog nooit op een homofeest geweest waar niet minstens drie keer Abba werd gedraaid. In Denemarken trekken homo’s hun neus op voor Abba, weet ik sinds ik in Oscar kom. In Oscar draaien ze Top40-muziek. 

Bovendien profileren homo’s en lesbo’s zich in Nederland veel uitgesprokener dan hier in Kopenhagen. Om maar een paar stereotypen te noemen: lesbiennes hebben in Nederland vaker dan gemiddeld kort haar en homo’s staan – als ik mijn homovrienden mag geloven – minimaal vier keer per uur voor de spiegel om te constateren dat hun kapsel nog steeds tiptop in orde is.

Dat zul je in Denemarken niet tegenkomen. Er bestaat geen homoseksuele subcultuur. Deense homo’s zijn namelijk net zo niet-ijdel als hun heteroseksuele seksegenoten. Ze dragen verwassen kleren en hebben niet echt een kapsel. Deense lesbo’s hebben lang haar, ze maken zich op en hun kleding verschilt niet van andere vrouwen in het straatbeeld.

Waarom zijn Nederlandse homo’s en lesbo’s ogenschijnlijk meer dan de Denen geneigd een homoseksuele identiteit uit te dragen? Zijn zij trotser op hun geaardheid, of is er iets anders aan de hand? Ik denk dat het te maken heeft met normalisering. Homoseksualiteit is in Denemarken al lang geen item meer – je kunt hier zelfs in de kerk trouwen als je wilt, iets wat in Nederland geen vanzelfsprekendheid is.

Het is het overbodig jezelf te profileren als homo/lesbo als je geaardheid er niet toe doet in een maatschappij. Wat dat betreft zijn onze stoere lesbo’s en onze verzorgde homo’s een teken aan de wand: er valt nog veel te verbeteren in de beeldvorming rondom homoseksualiteit. Wanneer gaan wij nou eens erkennen dat de liefde voor hetzelfde geslacht de normaalste zaak van de wereld is?

Aan de andere kant heeft het ook wel wat, die diversiteit. Je zou zelfs kunnen stellen dat Nederlandse homo’s en lesbo’s voorop lopen als het gaat om het doorbreken van stereotiepe beelden van mannelijkheid en vrouwelijkheid. Man, doe iets met je haar en vrouw, durf die (zogenaamd vrouwelijke) tuttigheid toch eens los te laten!