Portretrecht

Hoewel ik liever achter dan voor de camera sta, word ik regelmatig gefotografeerd. Deze week was het weer zover: op mijn werk kwam een fotograaf foto’s van mij maken voor Achmea Health. Voor dat blad heb ik recentelijk een interview gegeven over de heilzame werking van werk. Er was een foto nodig voor bij het interview, maar ook één voor de coverpagina.

Na alle inspanningen vroeg ik de fotograaf wat nu de procedure zou zijn. "Ik mail de foto’s naar de redactie van het blad," zei hij, "Die kiest uiteindelijk welke foto’s ze zullen gebruiken." Ook zou hij mij een paar plaatjes sturen. Of ik die dan ook zelf mocht gebruiken, was me niet duidelijk.

Toch is die vraag wel belangrijk. Soms komen er namelijk prachtige foto’s uit zo’n sessie. Zo was ik erg onder de indruk van de foto’s die Yvonne Brandwijk van me maakte voor UWV Perspectief. Hoewel ik wel een formulier heb ondertekend waarin ik toestemming gaf voor het gebruik van de foto’s voor deze publicatie, was mij ook deze keer niet duidelijk of ik de foto’s zelf (op het internet) mocht publiceren.

En zo hebben mijn Twitter- en Hyves-pagina’s het lang moeten doen met vakantiekiekjes. Tot ik een paar dagen geleden een e-mail kreeg van GroenLinks:

Afgelopen zaterdag zijn er mooie foto’s van jullie gemaakt. Je vindt ze op de website. Van de website kun je ze downloaden voor eigen gebruik, onder de strikte voorwaarde dat de fotografe Angelique van Woerkom wordt vermeld.

Dat is nog eens heldere taal! Na even zoeken blijkt het portretrecht (Auteursrecht 1912) trouwens heel eenvoudig te zijn: de geportretteerde mag te allen tijde foto’s van zichzelf vermeninigvuldigen of publiceren, mits de naam van de kunstenaar/fotograaf wordt genoemd. Had ik dát eerder geweten…

Ben je nieuwsgierig naar de foto’s? Surf dan naar UWV Perspectief of naar mijn motivatie om voor GroenLinks de Tweede Kamer in te gaan!

Geen beloning

Vier uur ’s middags. De bel gaat en Melle praat door de intercom. "Wacht, ik kom eraan." Dan kijkt hij naar mij. "Loop je even mee? Het gaat over Boris." Ik veer op. Eindelijk!

Als we in de hal komen, zien we drie kinderen staan, twee meisjes van een jaar of zes en, aan de hand van een van hen, een veel jonger jongetje. "Hij ligt in de sloot, hij is bevroren." De meisjes vertellen hoe ze Boris hebben gevonden: "Mijn grote broer zag hem eerst," zegt de ene. "We gaan altijd zoeken als we een briefje zien," vervolgt de ander.

In haar hand zie ik het papier met een zwart-witfoto van Boris. Heb je mij gezien? staat boven de foto. En onderaan: Wij missen hem heel erg, dus we hopen dat je ons belt als je denkt Boris te hebben gezien. Wel vijftien van deze vellen papier heb ik de afgelopen week opgehangen, in de hoop dat iemand hem zou vinden.

Melle en ik lopen mee naar buiten. "We hoeven geen beloning," zegt een van de meisjes. "Daar doen we het niet voor; we zijn altijd blij als we weer een kat vinden." We hebben hier te maken met een serieus opsporingsteam.

De eerste straat gaan we links. We komen nog veel meer kinderen tegen, die allemaal hetzelfde te horen krijgen: "Wij hebben hun kat gevonden. Dood. Hij ligt in de sloot." De kinderen sluiten zich aan, tot we bij een zandhelling aankomen. Onderaan loopt een sloot. "Daar ligt ‘ie." Ze wijzen naar beneden. "Hij heeft een roze bandje." Boris, onze homokat.

Dan gaan ze naar beneden, de hele meute kinderen, gevolgd door Melle. Hij komt als eerste terug en houdt een zwart hoopje kat in de lucht alsof hij een buit heeft gevangen.  Het wit in Boris’ gezicht is bruin geworden door het slootwater en zijn ogen staan dof, maar het is hem, onmiskenbaar. Dood.

Ik probeer me in te houden, maar begin te huilen. Te midden van wel acht kinderen. Het meisje dat geen beloning wilde, slaat haar arm om mijn schouder en zegt zacht: "Dat doet pijn hè? Ik weet hoe je je voelt." Ze vertelt over de kat op haar ouders’ boerderij in Marokko, die aangereden is. Ook het andere meisje weet hoe het voelt, want zij heeft wel drie goudvissen verloren en in de tuin begraven.

We lopen naar huis, in een stoet. Voorop Melle met Boris in zijn armen, de twee meisjes en ik er vlak achteraan. Daarachter kinderen op rolschaatsen, kinderen met fietsen en kinderen te voet. Bij de deur van de flat nemen we afscheid. "Wat gaan jullie nu met hem doen?" vraagt het meisje van de goudvissen zich af.
"We zullen hem begraven," beloof ik haar, "op een mooie plek in het bos."

De gedroomde kat

Vorige week woensdagochtend, 7.30 uur. Mijn hulp M. komt de slaapkamer binnen en vraagt: “Is Boris niet thuis? Hij heeft me helemaal niet begroet vandaag.”
“Die is vast de hort op.” Dat doet Boris wel vaker, maar hij blijft nooit lang weg. Boris is namelijk een gezelligheidskat, die lekker op een stoel naast de verwarming ligt te kneuteren. Of liever nog: op schoot. Het allerliefst op bed.

Lang van huis zijn is niets voor Boris, zeker niet als het buiten sneeuwt en er een ijzige wind staat, zoals woensdag. Het is dus opmerkelijk dat hij na mijn douche, anderhalf uur later, nog niet thuis is.

De rest van de dag blijft hij weg. En ook de rest van de week. En de week erna. Vijf keer heeft Melle de hele buurt afgezocht: drie keer te voet, twee keer op de fiets. Telkens als we buiten zijn, kijken we rond, maar het enige wat het ons oplevert, is frustratie. We horen namelijk van alles – een belletje, geritsel – maar steeds is hij het niet. Ook hebben we briefjes opgehangen. In de flat, op onze auto’s, bij de tramhalte. We hebben contact opgenomen met Amivedi en advertenties geplaatst op Marktplaats en onze buurtwebsite. Geen reactie.

Het is stil in huis zonder Boris. We missen zijn gemiauw ’s nachts als hij thuiskomt, zijn voorliefde voor vreemd voedsel – zoals kikkererwten, rozijnen en meloen -, zijn gezelschap op het toilet en zijn warmte op schoot. En we maken ons zorgen. Stel dat hij is aangereden en vervolgens is bevroren? Zou hij opgesloten zitten in een schuur, waar hij nu verhongert? Of is hij door het ijs gezakt toen hij achter een meerkoet aan zat? Is hij domweg vergiftigd? We weten het niet, en dat is ondraaglijk.

We dromen over hem. Vannacht droomde ik dat hij verdronk in een badkuip, samen met een spartelende spin, maar meestal zijn mijn dromen optimistischer. Dan ligt Boris ineens spinnend op mijn schoot of komt hij thuis met een mooie muis. Ook mijn moeder droomt over hem. Over Boris die met een gehavende kop in het babyledikant ligt: ‘Ik laat me niet kisten, hoor’. Zelfs vanuit Rome kreeg ik een sms, van mijn hulp R.: Last night I dreamed that Boris came back to your house. Maybe he will! Die dromen mogen niet baten: Boris is al twaalf dagen zoek.

“We moeten een balans vinden tussen accepteren dat hij er niet meer is en hopen dat hij terugkomt,” zegt Melle als ik hem wéér vertel dat ik Boris mis. Hij heeft gelijk. Het is slopend om veertien keer per dag naar buiten te kijken om te constateren dat hij er niet is. Of om direct naar zijn favoriete stoel bij de verwarming te kijken als je thuiskomt – hij ligt er niet.

Toch blijf ik hopen dat hij terugkomt. Ik blijf zoeken. Amivedi bellen. Briefjes ophangen. Stel dat het helpt.

Venkel met kumquatsaus

Borstvoeding geven heeft ook zo z’n beperkingen. Je kunt bijvoorbeeld niet straffeloos alles maar eten. Zo hebben broccoli, spruitjes en linzen ons al een aantal slapeloze nachten bezorgd. Jonne had darmkrampjes. Eerst denk je nog: zo’n kindje moet wennen aan alle smaken – zo erg kan het toch allemaal niet zijn – en dan stop je met de echt heftige dingen, zoals koolsoorten, ui en peper. Maar niets is zieliger dan een baby met darmkrampen. Toen Jonne na een relatief onschuldige pompoensoep weer niet wist waar ze het moest zoeken, waren we ten einde raad.

Gelukkig kwam de oplossing van mijn hulp H. Zijn vrouw is tien dagen voor mij bevallen en sindsdien volgt ze een dieet uit een Duits borstvoedingsboek: Das Still-kochbuch: Über 100 Rezepte – lecker und bekömmlich für Mutter und Baby, geschreven door Marietta Cronjaeger (2008). H. nam het Still-kochbuch voor me mee. Nieuwsgierig bladerde ik naar de lijstjes met ‘verboden’ en ’toegestane’ groenten en fruit.

Courgette? Fout.
Peulvruchten? Uit den boze.
Paprika? Nee.

Rode bieten, aubergine en selderij mogen wél. Wortel mag ook. En witlof. Welgeteld blijven er tien groenten en een paar soorten fruit over die je zonder risico op slapeloze nachten kunt eten – de rest moet een borstvoedster voorlopig even in de schappen laten staan. Bizar? Ja. Maar. Proberen kan geen kwaad. We gingen aan de slag met aubergine en selderij. Sindsdien zijn onze nachten aangenaam rustig; Jonne heeft geen darmkramp meer gehad.

Wel brengt ons nieuwe voedingspatroon een andere uitdaging met zich mee: afwisseling. Hoe zorg je ervoor dat de venkel en spinazie na twee weken nog niet je neusgaten uitkomen? Ik vond het digitale receptenboek van Odin, bekend van de biologische groentetassen. Je kunt er op groentesoort zoeken naar recepten, de meeste zijn nog vegetarisch ook. Ideaal voor een borstvoedende vegetariër! Ik maakte een weekmenu en we kregen de ene verrassing na de andere.

Intussen heb ik ook mijn eigen kookboeken er nog eens op nageslagen. Morgen koken we uit De veganistische keuken van Ben Klok (1989). Venkel met kumquatsaus. Klinkt spannend, maar of kumquat ‘mag’? Daar geeft Das Still-kochbuch geen uitsluitsel over!

De winkeldief

De rij bij Albert Heijn is kort. Voor ons rekent nog iemand af, dan zijn we al aan de beurt. Ik zoek vast naar mijn Bonuskaart. Dan komt er een jongen binnenlopen. Hij draagt een jas met nepbontkraag en een petje. Opmerkelijk: hij loopt niet door de toegangspoortjes, maar glijdt soepel via de kassa naast die van ons de winkel in. Die kassa is onbeheerd. Waarom zou iemand deze route nemen? Misschien moet hij iets hebben wat in de buurt van de kassa ligt en heeft hij geen zin om om te lopen.

We zijn aan de beurt als er plotseling een schelle vrouwenstem door de winkel klinkt: “Hij moet nog wel even betalen hoor!” Dezelfde jongen glijdt weer bijna geruisloos langs de kassa naast ons. “Hij heeft iets in zijn tas gestopt, ik heb het zelf gezien!”

De vrouw die bij de stem hoort, sprint naar de kassa en klampt een caissière aan. Die gebaart op haar beurt naar een andere caissière, die net de vloer aan het vegen is. Ze zet haar veger tegen een kassa en loopt langzaam in de richting van de jongen, die haar geen kans geeft om hem aan te houden – hij zet de pas er in en loopt de winkel uit.

“Daar betaalt de consument dus voor,” zeg ik tegen Melle. We hebben afgerekend en lopen langs de vegende caissière en haar collega.  Enigszins beteuterd vragen ze zich af waarom de beveiligingsmensen de jongen niet hebben gezien met hun camera’s. Dan was dit toch zeker niet gebeurd?

Dan blijkt dat de camera’s alleen bij de poortjes hangen; de onbeheerde kassa’s geven winkeldieven dus vrijspel. Er hangt geen ketting voor, er staat geen winkelwagentje. Lekker handig van Albert Heijn. En de consument betaalt.

Een uur niet getwitterd…

Twitteren is het woord van het jaar 2009, zo heeft genootschap Onze Taal onlangs bepaald. De uitslag is weliswaar minder spectaculair dan die in 2008 – wat was in vredesnaam swaffelen? – maar zegt wel iets over de maatschappelijke tendens om digitaal te netwerken: twitteren is hot.

Reden genoeg om er ook maar eens aan te gaan. Een profiel aanmaken is zo gepiept, maar wat doe je vervolgens op Twitter? Eh, vrienden zoeken? Ik typ wat namen in bij Find People. Ligt het aan Twitter of zijn mijn vrienden gewoon niet zo hot? – geen spoor van Marijn, Nicole of Taco. Zelfs Niké is er niet. Wat dat betreft doen LinkedIn en Hyves het beter. Teleurgesteld log ik uit.

’s Avonds hoor ik Melles stem uit de studeerkamer: "Maandag is er een debat over passend onderwijs. O, en Ineke van Gent gaat niet naar de koningin." GroenLinks heeft Twitter wél gevonden. Reden genoeg om er nóg maar eens aan te gaan.

Twitter blijkt een levendige community, waarin politici en vele anderen van uur tot uur vertellen wat hen zoal bezighoudt: werkbezoekjes, een goed boek, de intocht van Sinterklaas… Erg interessant en soms ook gewoon leuk om te volgen, maar nóg leuker om te participeren! Gelukkig houdt twitteren niet op bij vertellen wat je beleeft – in dat geval zou ik in deze fase van mijn zwangerschap snel uitgetwitterd zijn. Nee, je kunt ook discussies volgen, reageren en zo je visie op de wereld verbreden. Wist je bijvoorbeeld dat Halina vorige week gehakt heeft gebakken met Carice?

Een dag, nee, een UUR niet getwitterd, is een uur niet geleefd!

New Yurkje

Eenendertig weken zwanger. Als ik tijdens een telefoongesprek gerommel in mijn buik voel en ik naar beneden kijk, zie ik mijn jurk op en neer bollen. Niet een of twee keer, maar voortdurend, van links naar rechts, als een soort golfslagbad. Ik begin te lachen.
"Wat is er?" hoor ik aan de andere kant van de lijn.
"Er zit een alien in mijn buik."

Zo’n dikke buik is prachtig, maar soms wat onhandig. Zo past mijn werkkleding echt niet meer. Mijn bloesjes, krijtstreepbroeken en nette rokken hangen al maanden werkeloos in de kast. Zelfs nette t-shirts zijn een probleem. Ik heb wel zwangerschapskleding, maar die is rekbaar en dus per definitie niet erg formeel. Jasjes om de boel op te waarderen draag ik niet. Voor belangrijke bijeenkomsten heb ik dus een klassiek probleem: wat moet ik aan vandaag?

Ik spit mijn kledingkast uit. Heb ik nu echt niet iets passends? Ik stuit op een zwart jurkje met een wijde col. Het is mijn New Yurkje, het enige kledingstuk dat mee mocht naar New York, omdat het (met de tijgeroorbellen) mijn enige kledingstuk was waarin ik het avontuur wilde aangaan (zie blog). Het was een beetje aan de grote kant.

Ineens lijkt dit kledingstuk, dat ik daarna nooit meer heb gedragen, me ook goed draagbaar in combinatie met zilveren Esprit-oorbellen en lippenstift. Een mooie ketting erbij, en ik zou er zó mee naar een bestuursvergadering of sollicitatiegesprek gaan. Ik trek de stof over mijn hoofd. Hij valt soepel over mijn schouders. Bij mijn buik moet er even worden getrokken, maar dan glijdt de jurk netjes over mijn heupen.

Als ik in de spiegel kijk, zie ik een ambitieuze, zwangere vrouw.

Hoog truttigheidsgehalte

Rusteloos zoek ik het internet af. Al dagen moet ik iets, maar ik weet niet wat. Bijna had ik alle spullen voor de herfsttafel uit de kast getrokken en onze woonkamer eens grondig herfstproof gemaakt, maar ik probeer er nog niet aan toe te geven – de bladeren zijn nog niet van de bomen gevallen.

Wat zoek ik eigenlijk? Mijn surfgedrag is duidelijk anders dan driekwart jaar geleden. Toen zocht ik naar muziek, boeken, dvd’s. Nu zit ik ineens op een antroposofische startpagina. Ja, zo erg is het dus. Houten speelgoed, popjes, bijtringen, maar ook Weleda-babyverzorgingsproducten komen voorbij. En doe-het-zelf-paketten.

Nu weet ik het: ik wil borduren! Huh, borduren? Dat priegelige werkje dat ik voor het laatst deed op mijn elfde, toen ik besloot om het nooit, nooit meer te doen? Er doemen vage beelden op van mevrouw Van Zuuk, die het nog probeerde te redden: "Je moet de steekjes ietsje kleiner maken Hannie, dan wordt dit vanzelf een hele mooie toilettas." Tevergeefs – ik heb nooit meer een borduurnaald aangeraakt.

Hoe traumatiserend ook, de beelden van mevrouw Van Zuuk vagen langzaam weg. Ik zie geboortelappen voor me, Vera de muis die een warme, rode sjaal breidt, en natuurlijk de tuin in alle seizoenen: met een emmertje, bloemen, vallende bladeren en lijsterbessen. Mijn Google-searches worden gerichter: borduurlap, geboortelap, Marjolein Bastin; ik beland op sites waarvan ik het bestaan niet kende. Met rode konen klik ik ze aan: de afbeeldingen die straks op de kinderkamer komen te hangen.

Dan spreek ik mezelf streng toe. Wat is er aan de hand? Waarom doe je dit – jij houdt helemaal niet van borduren. Jawel, antwoordt mijn andere ik, ik ben dol op borduren! En voor ik het weet, heb ik op ‘bestelling bevestigen’ geklikt. Nu ontkom ik er niet meer aan: ons kindje krijgt een geboortelap. Van Nijntje. Het had erger gekund, troost ik mezelf. 

Van mezelf

Het is gelukt. Melle en ik zitten bij elkaar met alle getuigen, ceremoniemeesters én partners om onze Grote Dag voor te bereiden. Een bijzondere gelegenheid, die moet worden gevierd. Er is champagne en cappuchino-chocola; de gastvrouw heeft zelfs witte duifjes-slingers opgehangen.

Het is heel anders brainstormen met een club van twaalf dan met z’n tweeën. Nog los van alle goede ideeëen die iedereen door elkaar heen oppert, worden er tijdens de bijeenkomst vragen gesteld die nog niet in ons waren opgekomen. "Worden er foto’s gemaakt?", of "Hoe gaan jullie eigenlijk afscheid nemen van de gasten?" Verhelderend, in de meeste gevallen.

Tot vriendin 1 vraagt: "Gaat je vader je ook aan Melle weggeven?" Eerst kijk ik haar verbijsterd aan, dan begin ik hard te lachen. "Natuurlijk niet!" Dat vind ik niet alleen iets uit de middeleeuwen, ook zie ik het mijn vader niet doen. "Dat vindt ‘ie belachelijk, en ik zelf trouwens ook," licht ik mijn lachsalvo toe, terwijl ik een traan uit mijn ooghoek pink.

Vriendin 2 valt de eerste bij: "Ja Hann, dat dacht ik vroeger ook, maar toen ik trouwde, was dat opeens echt wel een ding, voor zowel mijn vader als mij."
"Ik zou het hem in elk geval voorleggen," raadt vriendin 1 aan, "Melle, jij moet het hem eigenlijk vragen."

Drie dagen later bel ik mijn moeder. "Zeg mam, moet je horen wat mijn vriendinnen voorstelden." Ik vertel het verhaal en verwacht bijval van haar. Maar mijn moeder gaat serieus op de vraag in: "Ja, zo hoort dat. Dan loopt je vader met je naar voren in het gemeentehuis en dan geeft hij je aan Melle." Ik sputter nog een beetje tegen. Dan zegt ze: "Ja maar Hann, je blijft toch onze dochter."

Ik ben totaal geshockt. Dat twee van mijn beste vriendinnen zulke voorstellen doen, soit. Maar mijn eigen moeder, die nog op de barricaden heeft gestaan voor vrouwenrechten? Het lijkt of ik in een vervreemdende droom ben beland.

Ik besluit dat ik het laat rusten, maar als ik een week of twee later mijn vader spreek, begin ik er voorzichtig over – ik ben toch wel nieuwsgierig naar hoeveel waarde hij hecht aan het weggeven van zijn dochter.
"Tja," zegt hij, "als jullie het heel graag willen, wil ik het best doen hoor, maar voor mij hoeft het niet zo."
"Ik vind het ook een belachelijk idee," geef ik toe.
"Je bent ook helemaal niet van mij," zegt mijn vader, "Je bent een volwassen vrouw. Je wordt toch ook niet van Melle?"

Opgelucht haal ik adem.

Lichte slaap

De laatste weken slaap ik licht. Er hoeft maar een klein geluidje de slaapkamer binnen te dringen, of ik ben wakker. En dat is het ergste nog niet; ik blijf ook wakker. Klaarwakker. Urenlang soms. Het schijnt een voorbereiding te zijn op de komst van ons kind; je mag natuurlijk niet doorslapen als het kroost honger heeft. Aanstaande moeders moeten daar op worden voorbereid. God prijze de natuur.

Nu zijn er de nachtelijkse dingen. Boris die is natgeregend en droog wil worden geaaid; dit laat hij weten door net zo lang te miauwen tot je toegeeft en je je hand naar z’n kop brengt. Daarna nestelt hij zich ergens op het dekbed, meestal in je zij of op je voeten, en tegenwoordig ook op mijn buik. Als ik hem eraf heb weten te porren en we allemaal comfortabel liggen, probeer ik de slaap weer te hervatten. Tevergeefs. Ik zou natuurlijk de slaapkamerdeur dicht kunnen doen, maar zonder Boris is het lang zo gezellig niet in bed, zeker niet als Melle de deur uit is.

Dat is ook een bron van slapeloosheid: Melle die na een optreden thuiskomt, rond 23.00 uur, 01.00 uur, of 03.00 uur. Hij probeert me, heel schattig, niet wakker te maken en sluipt vervolgens als een kat door het huis, maar vanaf het moment dat ik de voordeur hoor, staan mijn ogen wijd open. Totdat hij naast me ligt en hij diep begint te ademen, doe ik geen oog meer dicht.

Dit alles is te overzien en tot op bepaalde hoogte draaglijk. Ik hou immers van Melle en ook van Boris. Maar ik houd niet van bouwvakkers. En laten die mij nou ook uit mijn slaap houden. Vanochtend nog. Zaterdagochtend. Om 07.15 uur schrik ik wakker door een enorme knal: een ijzeren pijp die van drie hoog naar beneden worden gegooid. Vervolgens hoor ik André Hazes’ Zij gelooft in mij op tien, overstemd door schreeuwende mannen.

Op maandag? Ok. Dinsdag, woensdag, donderdag én vrijdag? Ach, meestal ben ik er al uit voor de piratenzender aan gaat. Maar op zaterdag? Nee, dan wil ik uitslapen. Tot minimaal half negen.

Ik zucht. Wen er maar vast aan.

Babykoorts

De babykoorts is aangebroken. Niet alleen bij mijn schoonmoeder, die midden in de nacht achter de computer kruipt om ons de meest prachtige namen te e-mailen, niet alleen bij mijn eigen moeder, die me minstens een keer per dag belt om te vertellen wat voor schattig babypakje ze heeft nu weer heeft gekocht, maar vooral bij onszelf.

Ik ben nu 22 weken zwanger en mijn buik begint al aardig bol te staan. Broeken en rokken passen niet meer, zelfs niet die uit de tijd dat ik 11 kilo zwaarder woog; knoopjes van blouses staan op knappen. Ik ga dus al weken naar mijn werk in jurkjes, die inmiddels ook aardig strak beginnen te staan. Het kan eigenlijk niet meer. Daarom moest er zwangerschapskleding komen. Dringend.

Uitverkoop in Amsterdams leukste zwangerschapswinkel, dat vroeg om een middag shoppen. En hoewel ik slechts één jurkje met vijftig procent korting heb kunnen scoren omdat de rest niet leuk was of er niet meer in mijn maat hing, ben ik wel geslaagd: twee rokken, een truitje, twee t-shirts en twee jurken heb ik gekocht. Ik kan weer representatief naar mijn werk.

Uiteraard komt er meer kijken bij een zwangerschap dan een paar kledingstukken met buikruimte. Zo langzamerhand moeten we bijvoorbeeld eens gaan nadenken over de kinderkamer. Willen we mooie, nieuwe spullen, precies naar onze smaak en helemaal aangepast op til-/rolstoelhoogte, of gaan we voor opgeknapt maar ook heel mooi tweedehands? Of lenen we de spullen die je maar een paar maanden nodig hebt van vrienden wiens kroost eruit is gegroeid?
"Wij hebben een combinatie gedaan," zei vriendin Clau, die vorig jaar in december van haar eerste is bevallen, "dan krijg je toch al een beetje een eigen gevoel in zo’n kamertje." 

En dan de wandelwagen. Er zijn prachtige wandel-/kinderwagens op de markt, waarin je het kind lekker hoog kunt leggen. Dat scheelt een hoop bukken en laag tillen en je kunt je kind tenminste aankijken, ideaal. Een bijkomend voordeel volgens de boekjes: je kindje zit boven uitlaatgashoogte. Slechts een kleine maar: er zit wel een kostenplaatje aan. Tweedehands beginnen ze bij zo’n € 600,-. Voor de helft van dat bedrag koop je (met rentepunten) een nieuwe Easy Walker Sky, waarbij je dus wél moet bukken en laag moet tillen. Wat heeft dan prioriteit?

Vooralsnog doen we vooral vergelijkend warenonderzoek achter onze computers, maar eigenlijk moet je die tweedehands bedjes en die prachtige meegroeibedden gewoon met je eigen ogen zien. Je moet met minstens drie verschillende kinderwagens een rondje wandelen en er desnoods een paar pakken suiker in en uit tillen.

Intussen breit mijn moeder haar eerste babytruitjes (sinds een jaar of dertig) en isde naa imachine maar weer eens van zolder gehaald. Mijn vader bedenkt constructies om onderrijdbare stoeltjes te bouwen en mijn schoonmoeder blijft advertenties in de krant checken op leuke voornamen. De vrouw van mijn schoonvader, zelf oma van zo’n 18 kleinkinderen, zit vast en zeker al achter haar breimachine en mijn vriendinnen bellen me op om me adviezen aan de hand te doen over kolfapparaten. 

Babykoorts. Pas maar op, het is besmettelijk.