De laatste weken slaap ik licht. Er hoeft maar een klein geluidje de slaapkamer binnen te dringen, of ik ben wakker. En dat is het ergste nog niet; ik blijf ook wakker. Klaarwakker. Urenlang soms. Het schijnt een voorbereiding te zijn op de komst van ons kind; je mag natuurlijk niet doorslapen als het kroost honger heeft. Aanstaande moeders moeten daar op worden voorbereid. God prijze de natuur.
Nu zijn er de nachtelijkse dingen. Boris die is natgeregend en droog wil worden geaaid; dit laat hij weten door net zo lang te miauwen tot je toegeeft en je je hand naar z’n kop brengt. Daarna nestelt hij zich ergens op het dekbed, meestal in je zij of op je voeten, en tegenwoordig ook op mijn buik. Als ik hem eraf heb weten te porren en we allemaal comfortabel liggen, probeer ik de slaap weer te hervatten. Tevergeefs. Ik zou natuurlijk de slaapkamerdeur dicht kunnen doen, maar zonder Boris is het lang zo gezellig niet in bed, zeker niet als Melle de deur uit is.
Dat is ook een bron van slapeloosheid: Melle die na een optreden thuiskomt, rond 23.00 uur, 01.00 uur, of 03.00 uur. Hij probeert me, heel schattig, niet wakker te maken en sluipt vervolgens als een kat door het huis, maar vanaf het moment dat ik de voordeur hoor, staan mijn ogen wijd open. Totdat hij naast me ligt en hij diep begint te ademen, doe ik geen oog meer dicht.
Dit alles is te overzien en tot op bepaalde hoogte draaglijk. Ik hou immers van Melle en ook van Boris. Maar ik houd niet van bouwvakkers. En laten die mij nou ook uit mijn slaap houden. Vanochtend nog. Zaterdagochtend. Om 07.15 uur schrik ik wakker door een enorme knal: een ijzeren pijp die van drie hoog naar beneden worden gegooid. Vervolgens hoor ik André Hazes’ Zij gelooft in mij op tien, overstemd door schreeuwende mannen.
Op maandag? Ok. Dinsdag, woensdag, donderdag én vrijdag? Ach, meestal ben ik er al uit voor de piratenzender aan gaat. Maar op zaterdag? Nee, dan wil ik uitslapen. Tot minimaal half negen.
Ik zucht. Wen er maar vast aan.

