Durf jij? – Ellen ten Damme en Ilja Leonard Pfeijffer

Durf jij? is de nieuwe cd van Ellen ten Damme. Het is een bijzondere cd, want de teksten voor deze cd zijn geschreven door dichter Ilja Leonard Pfeijffer. De liedjes komen voort uit een project dat op 8 oktober 2006 op tv werd uitgezonden: De avond van het liefdeslied. Het was een avond waarop 13 zangers een lied vertolkten van 13 dichters. Zo werden twee ogenschijnlijk ver uit elkaar liggende disciplines bij elkaar gebracht, wat een bont geheel opleverde van diverse stijlen muziek en poëzie.

Voor dit project schreef Pfeijffer de tekst voor Durf jij?, dat Ten Damme op muziek zette. Pfeijffer gaf toen, in 2006, al aan dat hij meer van dit soort liedjes zou willen schrijven, die hij wilde bundelen en Songs for Ellen wilde noemen. Blijkbaar heeft de samenwerking ook Ten Damme geïnspireerd, want er volgden nog tien nummers. Deze resulteerden in de cd, die sinds vrijdag 13 november in de winkels ligt.

Op de dvd van De avond van het liefdeslied legt Pfeijffer uit hoe de tekst van het nummer Durf jij? tot stand is gekomen. Je ziet hem in een met kaarsen verlichte kamer een glas rode wijn inschenken en hoort op de achtergrond Dolly Partons Jolene. Waarom dit liedje? Pfeijffer begint te vertellen:

Jolene, jij bent zo mooi en pak mijn man niet af. Ik weet wel dat je het kan, maar doe het niet, alsjeblieft. Dat is een heel erg… het is tegelijkertijd sentimenteel, en het is wrang, en het is gemeen, en het is vals… en het is heel simpel en direct, en… En tegelijkertijd werkt het ook heel erg, omdat je weet dat Dolly Parton het zingt. Ik heb er wel een beetje naar gestreefd om iets te maken dat in de buurt komt, maar dit is gewoon wel echt heel goed hoor, Dolly.

Op de cd is dit streven van Pfeijffer duidelijk voelbaar in de teksten, die, op één uitzondering na, allemaal dat sentimentele, dat wrange, hebben. Het thema van de cd is de liefde. Niet de romantische liefde, maar de liefde die je afhankelijk maakt, kwetsbaar en onzeker. De keerzijde van de liefde.

Zo vertolkt Ten Damme in Ik moet nog zoveel leren een vrouw die wacht op haar lief, die maar niet komt opdagen. Elk couplet begint met ‘Ik moet nog zoveel leren’, waarna steeds een werkwoord volgt: verdragen, begrijpen, accepteren en bevatten. Vier werkwoorden die afhankelijkheid en overgave aanduiden, wat het sterkst naar voren komt in het tweede couplet: ik moet nog zoveel leren te begrijpen/zoals bijvoorbeeld dat je van me houdt/als jij niet belt, of komt, en mij beschouwt/als iets dat jij ook morgen nog kunt grijpen.

Als de vrouw zich uiteindelijk in de kroeg zit te bezatten waar haar geliefde vaak komt, en hij ook daar maar niet verschijnt, wordt de ernst van de zaak voelbaar. Ze wordt aan het lijntje gehouden en ondergaat dit lijdzaam: en buiten is het winter het is pijnlijk koud/er wordt wanhopig bier besteld, geen mens is blij/het is al laat, de klok is stout/de grap is oud, en iedereen komt door de deur behalve … [jij].

De keerzijde van de liefde – geen cd dus om vrolijk van te worden? Eigenlijk valt dat wel mee, want de muziek op deze cd is veelzijdig. Vrolijke tonen en humoristische teksten maken het geheel allerminst zwaarmoedig. Neem bijvoorbeeld nummer 3 op de cd, Koningin van Frankrijk. De eerste twee coupletten lijken een soort kinderlijke droom te zijn: Als ik de koningin van Frankrijk was,/dan droeg ik duizend jurken op een dag/en wuifde ik zolang tot jij me zag,/jij met je rode revolutionaire das,/als ik de koningin van Frankrijk was.

Bij het derde couplet krijgt het lied echter een wending, waarna die wrange kant van de liefde weer naar voren komt: Je rookt met vrienden in stinkende kroegen,/met standpunten tot diep in de nacht./Wanneer ik me soms bij jullie wil voegen,/dan lach je me uit, omdat iedereen lacht./Omdat er niks te lachen valt, als ik de koningin van Frankrijk was! […] Als ik de koningin van Frankrijk was,/vermoordde ik je vrienden allemaal,/dan spieste ik je hoofdje op een paal,/opdat je stil en rustig bij me was,/als ik de koningin van Frankrijk was.

Poëtische en muzikale tegenstellingen komen ook terug in het nummer Misschien. Dit nummer begint met de zin Misschien zal ik een draakje voor je slachten. De combinatie van het woord ‘draakje’ met de langzame, romantische sound maakt dat deze zin lieflijk klinkt. Het woord ‘slachten’ kondigt echter alvast de wrangheid aan die de boventoon voert in het volgende couplet: Misschien zal ik een ex van jou vermoorden./Misschien zal ik haar wurgen met een touw./ Misschien zal ik je zeggen dat de woorden/niet kunnen zeggen dat ik van je hou.

Een ex vermoorden is heus romantisch, dat blijkt uit de lieflijke muziek en de tekst van het refrein: Als jij maar weet/dat ik het deed, oh/Als jij maar weet/dat ik het deed/zodat je nooit vergeet/jij bent van mij…/misschien. Het woord ‘misschien’ maakt de romantiek wel tragisch – er spreekt wanhoop uit.

Ellen ten Damme heeft met Durf jij? dus een bijzonder en veelzijdig werk gemaakt. Dit komt op de eerste plaats door de spannende teksten van Ilja Leonard Pfeijffer, maar ook Ten Damme zelf verdient een pluim; zij laat zich met haar stem steeds weer van een andere kant horen: zacht, stoer, naïef, kwetsbaar, rebels… Deze veelzijdigheid wordt versterkt door de zeer diverse composities waarop zij de teksten van Pfeijffer heeft gezet.

Eigenlijk zijn er maar twee dingen aan te merken op deze cd. Ten eerste het nummer Bang om rijk te worden. Het is een vrolijk lied dat niets te maken heeft met liefde, noch met de keerzijde ervan. Er zit weinig diepgang in en thematisch valt het totaal buiten de boot bij de rest van de cd. Maar goed, als je het nummer beschouwt als vrolijke uitsmijter van de cd, valt er mee te leven.

Helaas heeft Van Damme gekozen voor een andere uitsmijter: Daar waar jij wil zijn, het laatste nummer en enige écht minpunt van deze cd. Dit nummer is namelijk niet geschreven door Pfeijffer en Ten Damme, zoals de rest van de cd, maar door Robin Berlijn. Het heeft een platte, weinigzeggende tekst; muzikaal valt er evenmin veel te beleven. Gelukkig duurt dit laatste liedje nog geen anderhalve minuut, nog geen fractie dus van dit zeer bijzondere en geslaagde project!

Nieuwsgierig geworden? Koop de cd op Bol.com of lees meer over Ellen ten Damme en Ilja Leonard Pfeijffer.

Engagement in de kunst III – "Die doet maar wat"

Cobra_2 Aan het begin van de tentoonstelling hangt een grote zwart-witfoto van Georges Mathieu, waarop hij streng in de lens kijkt. Don’t fuck with me, lijkt hij te willen zeggen. Op de achtergrond zie je een van zijn kunstwerken: een wild geheel van verfstrepen, en zelfs verf die rechtstreeks uit de tube op de muur (of het doek) is gespoten. Mathieu maakt onderdeel uit van de tentoonstelling Paris Central, waarin de naoorlogse Parijse kunstwereld wordt geëxposeerd. Een woelige periode, waarin kunstenaars vooral hun eigenheid wilden ontdekken (‘Alles moet anders’).

Een vader met twee jonge zoons komt de zaal binnen. Hij merkt de foto op en blijft er met zijn kroost voor staan. De oudste, nog geen vijf jaar oud, werpt een vluchtige blik op de foto en zegt: "Die doet maar wat." Er klinkt minachting door in zijn stem. Hij maakt aanstalten om weg te lopen, maar zijn vader pakt hem bij de arm en zegt: "Wacht eens even. Maar dat is toch kunst, wat die man heeft gemaakt?" De jongen kijkt nog eens omhoog en zegt vervolgens vastberaden: "Nee, want hij heeft het ook in zijn gezicht." Dan wendt hij definitief zijn hoofd af en loopt verder.

Deze jonge museumbezoeker werpt een nieuw licht op de zaak als het gaat om engagement in de kunst (zie eerdere blogs). Engagement in de kunst is het in een context kunnen plaatsen van een visie op de maatschappij. Logisch dus dat een vierjarige zijn neus ophaalt voor het ‘geklieder’ van Georges Mathieu.

De expositie Paris Central is tot 17 januari 2010 te zien in het Cobra museum voor moderne kunst in Amstelveen. Tip: neem een audiotour als je de tentoonstelling bezoekt en laat je meeslepen in het Parijse kunstklimaat van de jaren ’50!

Loesje

Hoewel ik mezelf altijd heb gezien als een creatief mens, liep ik er laatst op mijn werk tegenaan dat ik er maar niet bij kwam, bij die creativiteit. Ergens moest het zitten, want ik voelde het borrelen in mijn buik. En ik wilde ermee betoveren, verrassen, tot nieuwe dingen komen.

Wat doet een mens als hij zijn eigen creativiteit wil aanboren? Inspiratie opdoen! En dus ging ik naar collega G., die bekend staat om zijn kennis van het Enneagram. Volgens mijn leidinggevende was G. de aangewezen persoon om mij mijn eigen bronnen van creativiteit te doen aanboren.

We hadden een goed gesprek. Over ego, over carrière maken en de kunst om even uit je eigen verhaal te stappen. G. en ik verstonden elkaar.
"Hoe kom ik bij mijn authentieke creativiteit?" vroeg ik hem.
"Geen idee."
Na wat filosoferen over wat creativiteit eigenlijk is, raadde G. mij aan om vooral lekker aan het associëren te slaan.
"Soms is het veel makkelijker dan je denkt, leg de lat niet te hoog," was zijn advies.

Een dag later zat er een e-mail van G. in mijn mailbox, met bijlage. Die bevatte een schrijfhandleiding van Loesje, met tips over het bedenken van pakkende teksten. Vanochtend besloot ik me er maar eens aan te wagen. Omdraaiing, associatie en overdrijving brachten mij een nieuwe manier om naar de wereld te kijken. Verrassend, fris. Betoverend!

Meer weten over Loesje? Kijk dan op haar website.

Het nieuwe doen – Paul van Capelleveen

In het jaar 2009 doe ik mezelf elke dag een gedicht cadeau. Met de poëzie-scheurkalender, samengesteld door Tjitske Jansen en Victor Schiferli. Op 2 januari al werd ik aangenaam verrast door het gedicht Het nieuwe doen van Paul van Capelleveen:

Het nieuwe doen

Lees een gedicht, desnoods van mij.
Schrijf zomerbrieven. Evenaar
de poolnacht van een schone lei.
Niet, niet doen.
                 Voel je knoken,
doe wat je wilt – ik doe het ook.
Verwijder dagelijkse smeerboel.
                 Niet, niet doen.
Maak je op voor de grote trek.
Doe je te goed aan het nieuwe jaar.

PAUL VAN CAPELLEVEEN

Wat een magisch gevoel roepen de samenstellingen ‘zomerbrieven’ en ‘poolnacht’ op! Eigenlijk is die hele zin pure magie: ‘Evenaar de poolnacht van een schone lei’. Hoewel ik niet snap wat er staat, krijg ik er wel een beeld bij: dat van sneeuw op de bevroren, schaarsverlichte stadsvaart. Doorgaan terwijl je wangen bevriezen. Tintelende vingers. Iets schoons, hards, onoverwinnelijks. 

Ook spannend vind ik de titel, ‘Het nieuwe doen’. Wat doen we opnieuw? En nog belangrijker (want twee keer genoemd): wat doen we vooral niet?

Knap in elkaar zit ook het rijmschema. Hoewel het gedicht conventioneel begint met een a-b-a-schema, wordt het rijm steeds subtieler en wordt de spanning opgebouwd door ‘het nieuwe jaar’ pas in de laatste zin te laten rijmen op dat toch al opvallende, alleenstaande woord ‘Evenaar’. Dat brengt lading met zich mee!

Een uitgebreide analyse van het gedicht (zoals ik voor mijn studie Nederlands regelmatig heb moeten maken) zal ik mezelf deze keer besparen. Dan kunnen er namelijk twee dingen gebeuren: het gedicht komt tot leven, of het valt tegen – je pelt de vellen een voor een af en er blijkt geen kern onder te zitten. De magie is eraf. Niet, niet doen, denk ik dan. Doe je te goed aan dit mysterieuze gedicht!

Mar Adentro

Het is oudejaarsavond, 2008 zit er bijna op. Het is een mooi jaar geweest, zo mooi dat we niet de behoefte hebben om uitgebreid ergens te dansen, vuurwerk af te steken of bij vrienden spelletjes te spelen. Lekker thuis, met mijn ouders over de vloer, besluiten we een film te kijken: Mar Adentro. Dat deze Spaanse euthanasiefilm een vrolijk einde zou maken aan het jaar 2008, had ik niet verwacht. Maar mooi was hij wel, deze film.

Heel in het kort: Ramón Sampedro is volledig verlamd en brengt zijn leven door in bed. Alleen zijn hoofd kan hij nog bewegen. Dit omdat hij 26 jaar geleden in ondiep water sprong, met zijn hoofd op de zeebodem terecht kwam en daardoor een dwarslaesie opliep. Een rolstoel hoeft hij niet – het enige wat hij nog wil, is sterven. Omdat hij dit leven, waarin hij volledig afhankelijk is van anderen, niet waardig vindt. Leven moet volgens hem een recht zijn en geen plicht. Helaas denken niet alleen de autoriteiten daar anders over, maar ook zijn (gelovige) broer en andere naasten vindt het onaanvaardbaar dat hij niet verder wil leven. Toch weet Ramón mensen voor zijn zaak in te zetten, waardoor uiteindelijk gebeurt waarnaar hij al die tijd al verlangt: hij sterft een onnatuurlijke, maar waardige dood.

De film roept dubbele gevoelens bij me op. De beelden en de muziek alleen al laten een diepe indruk op me achter omdat ze het beeld neerzetten van een krachtige man. Een man die ergens voor durft te kiezen en die laat zien dat sterven niet het weglopen voor je problemen is, maar het onder ogen zien van je problemen. Ik vind het enerzijds sterk dat Ramón kiest voor de dood, terwijl zijn omgeving het niet kan verdragen dat hij (dit) leven niet waardig vindt.

Aan de andere kant kan ik me niet in Ramón verplaatsen. Ik zie dat hij schrijft. Geniet. Liefheeft. Toch verkiest hij sterven boven leven. Waarom? Waarom wil hij dag in dag uit op dat bed blijven liggen, terwijl hij ook kan kiezen voor een mobiel leven (in een rolstoel)? Deze vraag kwam ook op bij andere personages uit de film. De jonge, onbesuisde Rosa bijvoorbeeld wil hem er bij hun eerste kennismaking van overtuigen dat het leven de moeite waard is. Ramón wijst haar onmiddellijk de deur. Ook de pastoor, die zelf volledig verlamd in een rolstoel door het leven gaat, vangt bot; Ramón vindt de plicht om te leven geen vrijheid, het recht om te sterven wel.

Dat Rosa en de pastoor bot vangen, is geen wonder; zij zijn in hun manieren van overtuigen dom respectievelijk egoïstisch. De pastoor zet het leven namelijk geheel in het teken van God, waarbij hij voorbij gaat aan zelfbeschikkingsrecht. Rosa wil Ramón niet kwijt omdat ze in hem haar ware liefde ziet. Met deze kortzichtigheid en dit eigenbelang van de andere personages geeft de filmmaker Ramón gelijk, zeker als Rosa er later (uit liefde) voor kiest om Ramón toch te helpen, door zijn dodelijke drankje voor hem klaar te maken.

Ik ben geen naaste van Ramón en bovendien ben ik niet dogmatisch; ik geloof in het recht om te sterven. Iedereen moet zelf kunnen beslissen of hij blijft leven of niet. Dat maar liefst twee dokters een handtekening moeten zetten om iemand waardig te kunnen laten sterven in echt heel schrijnende situaties, vind ik te gek voor woorden. Maar bij Ramón begrijp ik het niet. Hij geniet toch van dingen? Ik zie geen pijn, ik zie geen wanhoop; ik zie alleen een man die ondanks alles weigert het leven te omarmen.

Het jaar 2008 zit er bijna op. Het is klokslag twaalf uur als Ramón zijn drankje inneemt en eindelijk, na 28 jaar, sterft. Buiten wordt vuurwerk afgestoken; het groene en roze licht van de vuurpijlen verlicht de woonkamer waarin wij huilen om Ramón. De keukenmeiden gillen erover. Ondanks mijn dubbele gevoelens ben ik blij voor Ramón. Dit komt omdat hij zijn wens louter op zichzelf betrekt; hij zegt nooit dat een afhankelijk leven geen waardig leven is of dat mensen met een ernstige handicap de dood zouden moeten verkiezen. Hij vindt zijn leven onwaardig en verkiest de dood, maar mij laat hij vrij. Ik mag het leven omarmen – schrijven, genieten, liefhebben. We trekken de champagnefles uit de kast. Op een fantastisch nieuwjaar!

Vochtige streken – Charlotte Roche

Ordinaire pornografie of een feministisch manifest? Een oppervlakkig verhaal over poep en seks of een literaire roman? De meningen zijn erover verdeeld, maar één ding is zeker: het boek Vochtige streken van Charlotte Roche houdt de gemoederen bezig. Niet alleen in Duitsland is er veel over te doen, ook in Nederland lijkt de discussie over vrouwelijke seksualiteit en de hygiënehysterie aangebroken. Zo heeft Martin Bril in Volkskrant Magazine al een column aan deze literaire debuutroman gewijd – zonder het boek te hebben gelezen -, en besteedde zelfs Nova er uitgebreid aandacht aan.

Ik kreeg het boek cadeau van Melle, die een vergeefse poging had gedaan het begin aan me voor te lezen, dat als vooraankondiging gepubliceerd stond in Hollands Diep. Het ging over het bedrijven van anale seks met aambeien die als bloemkool uit de anus stulpen. Té ranzig voor woorden. Maar Melle zette door en vorige week kreeg ik het boek cadeau, een felrood/roze boek met een een pleister op de voorkant. Ik probeerde het opnieuw. En werd erdoor gegrepen.

Roche slaagt erin de lezer voortdurend geboeid te houden – ondanks de soms té expliciete passages over vrouwelijk smegma, het smeren van menstruatiebloed op liftknopjes en gapende wonden, die je als lezer op een presenteerblaadje voorgeschoteld krijgt. Dit doet ze door een extreem hoofdpersonage met mysterieuze familiebanden neer te zetten in een bevreemdende omgeving: het ziekenhuis. Daar is de achttienjarige Helen beland omdat ze problemen heeft met haar kont; tijdens het scheren is haar huid -inclusief aambeien – open gegaan, wat vervolgens is gaan ontsteken. De ins en outs zal ik achterwege laten, maar de situatie is op z’n zachtst gezegd klote. Een niet-alledaagse setting dus.

Anti-hygiëne
Helen is opgevoed met een negatief beeld van vrouwelijkheid: kutjes zijn vies en daarom moet je ze goed wassen, liefst meerdere keren per dag. Poepen doet een vrouw niet; ze houdt het net zo lang op tot het vanzelf verdwijnt. Hier gaat Helen tegenin door de andere kant van het hygiënespectrum op te zoeken; ze smeert haar lichaamssappen af waar ze maar kan en wil er zoveel mogelijk mensen mee in aanraking brengen – zonder dat die dat zelf weten. Zo spuugt ze in een waterfles en biedt iemand gerust een glas water uit die fles aan. Haar zelfgemaakte tampons belanden vol bloed op de liftvloer en als Helen naar het toilet is geweest, veegt ze niet af, zodat de druppels plas een spoor over de grond vormen. Smerig, daar zijn we het allemaal over eens. Maar het is ook wel eens heerlijk dat iemand tegen de hysterie rondom hygiëne ingaat. In dit opzicht hebben we te maken met een taboedoorbrekende roman.

Feministisch manifest
Ook seksuele taboes worden in Vochtige streken doorbroken. Helen lijkt namelijk een vrijgevochten vrouw: ze bindt zich niet aan één partner, maar doet het zo vaak mogelijk met zoveel mogelijk verschillende mensen – mannen en vrouwen. Liefst anaal. Omdat ze vrouwen uit haar omgeving niet zover krijgt om seks met haar te hebben, bezoekt ze prostituees.

Als je dit zo leest, zou je Vochtige streken inderdaad als een modern feministisch manifest kunnen beschouwen. Het is immers taboedoorbrekend om een meisje iets te zien doen wat we normaal alleen mannen zien doen. Het is best eens goed als ons wordt voorgehouden dat ook vrouwen seksuele actors zijn en niet slechts objecten van het mannelijk plezier. Niks mis mee.

Zielig
Toch is dit boek wat mij betreft het tegenovergestelde van een feministisch manifest. Hoe verder je namelijk leest, des te triester wordt de situatie. Helen blijkt een gebroken meisje te zijn dat wanhopig probeert haar gescheiden ouders weer bij elkaar te brengen. Ze offert zich hiervoor op door zichzelf ernstig te verwonden en bijna dood te bloeden, in de hoop dat haar ouders tegelijk naar het ziekenhuis komen en elkaar daar in de armen vallen. Ook blijkt Helen geestelijk mishandeld te zijn door haar moeder, waardoor ze werkelijkheid en fantasie niet uit elkaar kan houden en ze regelmatig last heeft van paniekaanvallen.

Tegen deze achtergrond komen haar seksuele escapades, maar ook haar anti-hygiënehouding, in een heel ander daglicht te staan. Helen durft niet alleen te zijn, maar kan zich evenmin binden aan een partner. Ze doet het met iedereen, niet omdat ze zo van seks houdt, maar omdat ze erkenning nodig heeft van derden. Seks betekent voor haar dat ze er mag zijn, met of zonder aambeien, met of zonder lichaamsgeur.

Het begon dus zo goed in Vochtige streken: ongedwongen seks, een beetje tegen de geparfumeerde inlegkruisjescultuur aanschoppen. Maar ergens ging het mis. Misschien wilde Roche een extra dimensie aan de roman geven door er een familiedrama in te verwerken. Zodat het geen oppervlakkig hygiëneoffensief zou worden, of een pornografische roman met wat girlpower. Dit heeft echter schokkend conventioneel uitgepakt: Helen is door een verstoorde moeder/dochterrelatie geobsedeerd geraakt door seks.

Een literaire hoogvlieger zou ik Vochtige streken dus niet noemen, evenmin als een feministisch manifest. Integendeel: het onderwerp leent zich meer voor een tijdschrift als Mijn geheim.

Jazz op je trouwdag

Beste Jules / Geachte heer Deelder,

We staan aan de rand van vertrekhal 3. Een grote, lege hal. In het midden staat slechts één persoon. Zijn haar is strak achterover gekamd. Hij draagt een donkere vlinderbril en een grijs pak, waaronder zwarte Oom Dagobert-schoenen uit steken.
"Kijk, dat is Jules Deelder," zegt Melle – mijn vriend -, en hij vertelt me dat u een groot jazzliefhebber bent. U heeft een onvoorstelbare collectie jazzplaten en die platen draait u op feesten. Fantastische feesten moeten dat zijn. Melles ogen glimmen als hij vertelt dat u drummer bent. Hij vormt zelf een duo met een drummer. Een jazzduo.

Zelf ken ik u vooral als performer. Op mijn twaalfde ging ik voor het eerst met mijn vader mee naar het theater, waar u optrad. Ook mijn vader is namelijk een groot liefhebber van u, al is het om een andere reden dan Melle: uw humor spreekt hem aan. Zelf herinner ik me nog één grap uit die show: de grap over die man in de kroeg die steeds een gehaktbal meeneemt naar het toilet, waar hij zijn lintworm blijkt te voeren. De rest van de show is me nauwelijks bijgebleven; waarschijnlijk was ik te jong om uw razendsnelle oraties helemaal te volgen.

Toen ik Nederlandse les gaf aan een examenklas, kwam u opnieuw in mijn leven. Uw naam werd genoemd in de literatuurboeken en ik droeg gedichten voor van uw hand. Daarmee oogste ik bewondering van mijn leerlingen, die u kenden van de wasmiddelenreclame van Robijns Black Velvet. U deed het goed bij de jonge generatie, die normaal gesproken weinig opheeft met jazz of poëzie.

En nu was u daar weer, in de vertrekhal op Schiphol. Eerst wilde ik het niet geloven, dus zette ik mijn rolstoel in de hoogste stand en reed ik nonchalant langs u heen. Ik keek u aan en deed net of ik u niet herkende. Maar ik had het wel gezien: u was het echt.

Eigenlijk wilde ik u aanspreken: vragen waarom u niet vanaf Rotterdam vloog, maar vanaf Amsterdam. Of u het prettig vindt om alleen te reizen en waarom niemand in die hal naar u toe kwam om te zeggen: "Meneer Deelder, ik ben een bewonderaar van u." Ik wilde u vertellen dat mijn vriend jaloers is op uw jazzcollectie en u vragen hoeveel het zou kosten om u een avond te laten draaien op ons trouwfeest.

Maar ik dacht dat u het vast raar of onprettig zou vinden om zomaar te worden aangesproken door een onbekende vrouw, en dus reed ik terug naar de rand van vertrekhal 3, waar u zich nog even naar mij omdraaide. Bij de paspoortcontrole kreeg ik een tweede kans: wij stonden naast u. Maar weer ontbrak het mij aan ballen en sprak ik u niet aan. Daar heb ik spijt van, tot op de dag van vandaag.

In mijn hoofd is namelijk het beeld ontstaan van een bevlogen feest waar u jazzplaatjes draait tot niemand meer op zijn benen kan staan. Een feest dat swingt, leeft en vervoert. Een feest dat zwart is, wit en rood, niet grijs. Een feest dat moet. Daarom wil ik u alsnog vragen: zou u op ons trouwfeest willen komen draaien?

Met vriendelijke groet,
Hann van Schendel

p.s.: Mocht u meer willen weten over het duo van Melle, dan kunt u terecht op de website van NTR.

Huisfotograaf

Het lijkt erop dat ik huisfotograaf word. Al eerder maakte ik een serie foto’s voor NTR, de tweekoppige band van Melle Weijters (fretloos gitaar) en Etienne Nillisen (drums), en nu heb ik ook voor Melles website een serie gemaakt.

ENT

De serie met Melle en Etienne was interessant, zeker omdat het resultaat anders uitpakte dan ik had verwacht. Spontaner. Beter. Dat kwam doordat de heren zich in eerste instantie enigszins ongemakkelijk voelden; ze wilden eigenlijk niet poseren. Om hen gerust te stellen, maakte ik foto’s van andere zaken dan hun hoofden: hun buiken, een rubberen eend met op de achtergrond hun hoofden… En dat pakte goed uit: het zijn ongedwongen, vrolijke foto’s geworden. En belangrijker nog, ze vormen een serie: bij elkaar passende foto’s die samen sterker zijn dan alleen. Dat komt door de kleuren, de sfeer en het terugkerende rubberen eendje. Het resultaat komt prachtig tot uiting op de website www.enter-ntr.com, die Etienne en Melle hebben aangepast aan de sfeer en kleurimpressie van de foto’s.

Gisteren ben ik begonnen aan een serie voor Melles nieuwe website www.pickmeupandunfretme.com. Foto’s maken van Melle alleen bleek me moeilijker af te gaan dan van hem en Etienne samen. Er is minder variatie mogelijk met één persoon (en: met of zonder gitaar?). Bovendien moest deze serie een andere, eigen sfeer uitstralen dan die van NTR, en tegelijkertijd aansluiten bij de bestaande beelden. Licht, maar niet melig. Stoer, maar niet patserig. Persoonlijk, maar niet recht-toe-recht-aan.

Melle Weijters

De foto’s hebben een eenheid in kleur en Melle heeft de foto’s een passende plek gegeven op z’n site, maar het kan beter. Ik vind ze wat somber, soms wat uit proportie zelfs. Daarom moet ik binnenkort opnieuw op stap met Melle… en m’n camera!

Engagement in de kunst II

Geëngageerde kunst is kunst waarin de verschillende interpretaties mogelijkheden bieden om een visie te vormen op de wereld.

Deze tweede (voorlopige?) definitie van engagement in de kunst staat haaks op mijn eerste definitie (zie vorige blog): niet de kunst zelf bevat een visie, maar deze wordt gevormd door het subject – de lezer of toeschouwer. Dit impliceert dat er meerdere interpretaties mogelijk zijn; elk subject steekt immers anders in elkaar. Een kant en klare visie verpakt in een boek of film mag de naam kunst niet dragen. Dit nieuwe inzicht is mede mogelijk gemaakt door Maarten Doorman.

In zijn essay Tamelijk dodelijk snijdt Doorman het spanningsveld aan tussen autonome kunst en provocatie. Hoewel hij woord ‘engagement’ niet in de mond neemt, noemt hij drie voorbeelden van kunst die de bedoeling heeft om culturele/religieuze taboes te doorbreken:
– een martelscène uit De Sades Juliette, of De voorspoed van de ondeugd;
– de fotografische cyclus Piss Christ van fotograaf Andres Serrano, waarin Christus door gelige vloeistof wordt bedekt;
– de film Submission van Theo van Gogh en Ayaan Hirsi Ali.

De vraag is voor Doorman echter niet wanneer kunst provocerend is, maar wanneer engagement onder kunst is te scharen en wanneer engagement verwerpelijk is:

Zijn de drie genoemde voorbeelden moreel verwerpelijk, of bewegen ze zich op het autonome terrein van de kunst, waar alles mag? Die laatste zienswijze, in zijn simpele vorm verkondigd onder de vlag van ‘vrijheid van meningsuiting’ en in de wat minder stompzinnige vorm ‘vrijheid van de kunst’, schiet al gauw tekort. Zonder het hele debat rond provocatie- en schandaalkunst te willen reduceren tot enkele zinnen, is het toch onbevredigend de kunst zo van de werkelijkheid los te snijden. Als kunst slechts fictie is (in literatuur en theater) en uit beelden bestaat voor de geprivilegieerde ruimte van het museum en de galerie, een l’art pour l’art die elke verhouding tot de werkelijkheid ontkent, is ze ook in haar extreme provocaties onschuldig.

Er zijn echter ook allerlei redenen om niet meer in zo’n autonomie te geloven: de kunst vermengt zich op alle mogelijke manieren met vormgeving, digitale media, het leven en de maatschappij. Bijna niemand verdedigt nog het idee dat kunst niet met het leven en de wereld heeft te maken. Kunst is geen hemels reservaat. Het argument van de autonomie is daarom onbevredigend.

Voor mij zijn de bovengenoemde drie voorbeelden moreel verwerpelijk (al beland je hiermee dankzij de taaie reflexen in deze discussie direct in het kamp van de kleine christelijke partijen of in dat van de politiek correcten). De provocatie mag een avant-gardistische waarde vertegenwoordigen, die van de schok, maar esthetisch zijn het armzalige werken. Omdat ze als kunst te zwak zijn, moeten ze het hebben van de provocatie, ze zijn met andere woorden meer boodschap dan kunst, en die boodschap verlangt van wie niet onverschillig is een standpunt, in dit geval een afwijzend standpunt. (Bron: Schoot (2008), pp. 61-62)

Slechte kunst moet het volgens Doorman dus (in deze gevallen) hebben van provocatie. ‘Echte’ kunst bevat volgens hem meerdere interpretatiemogelijkheden, meerdere lagen:

Het gaat in de kunst altijd om dubbelzinnigheid. Er staat niet wat er staat, je ziet niet wat je ziet, je hoort meer dan wat je hoort en niet elke keer hetzelfde. Elk kunstwerk staat open voor interpretatie, en die interpretatie is nooit af omdat andere interpretaties niet worden uitgesloten. Er zijn natuurlijk betere en slechtere interpretaties, maar de beste bestaat niet. Kunst die ondubbelzinnig is, is misschien wel helemaal geen kunst. Daarom kan kunst wel idealistisch zijn, zij is echter vreemd aan elke ideologie.
[…] Als je je afvraagt of bepaalde kunst moreel verwerpelijk is, zul je je dus met die dubbelzinnigheid bezig moeten houden. (Bron: Schoot (2008), p. 62)

Wat een opluchting: eindelijk mogen we hardop zeggen dat provocerende werken – zoals de afbeelding van Mohammed met een bom op zijn hoofd (getekend door Kurt Westergaard) – geen autonome kunst zijn en dus niet bevoorrecht zijn tot het overschrijden van morele grenzen. Autonome kunst bestaat niet en is dus nooit vrij van engagement.

Bovendien heeft Doorman inzichtelijk gemaakt dat een kunstwerk zonder interpretatiemogelijkheden eigenlijk geen kunst is, maar louter provocatie. Ik zou dit geen provocatie noemen, maar engagement; provocatie heeft naar mijn smaak een te negatieve bijklank om recht te doen aan de reacties die ze teweeg kan brengen. Niets mis mee dus, zolang ik er maar niet tegenaan hoef te kijken in een museum.

Kunst_als_morele_vrijplaats_4 Het hele essay van Maarten Doorman lezen? Het is gepubliceerd in:
Schoot, A. van der (2008). Kunst als morele vrijplaats: Moet in de kunst wat elders niet mag? pp. 58-64. Arnhem: d’jonge Hond, ArtEZ Press en de auteurs. ISBN: 978-90-89100-467 / NUGI 651.

Engagement in de kunst I

Eerste poging tot een definitie:

Engagement spreekt tot de verbeelding, raakt. Dan pas doet kunst ertoe. Dit geldt ook voor schrijfkunst. Verhalen over situaties of personen zónder achterliggende visie zijn leeg. Nietszeggend. Wat heb je eraan te weten dat iemand gelukkig is? Interessanter is te zien wát hem gelukkig maakt, of beter nog: wat hem ervan weerhoudt gelukkig te zijn.

Engagement is niet: zeggen wat je vindt. Dat is geen kunst, maar moraal. Eerder is het: niet zeggen wat wel zo is. De lezer denkt dat hij een verhaal of gedicht leest, maar krijgt een visie. Gratis en voor niets.

NB: Twee boeken die op mijn bureau klaarliggen om deze eerste definitie aan te scherpen:
– ‘Nieuw engagement: In architectuur, kunst en vormgeving’
(2003). Reflect #01, Rotterdam: Nai Uitgevers. ISBN: 90-5662-346-X.
– Schoot, A. van der (2008). Kunst als morele vrijplaats: Moet in de kunst wat elders niet mag? Arnhem: d’jonge Hond, ArtEZ Press en de auteurs. ISBN: 978-90-89100-467 / NUGI 651.

Parade-meisje

Ze kijkt je recht aan. Helderblauwe ogen, goedgevormde wenkbrauwen en een perzikkleurige mond. Haar haar losjes opgestoken, haar gezicht regelmatig mat. Schuilt er een glimlach achter haar serene, enigszins droevige blik? Daagt ze je uit? Of is ze werkelijk zacht en onschuldig, zich onbewust van haar schoonheid? De spanning straalt van haar schouders af, met haar licht gebogen nek. Het motief op haar top met brede schouderbanden is truttig, maar toch schijnt er – heel licht – een simpele zwarte bh doorheen.

Áls ze je al om haar vinger windt, doet ze dat met haar neergebogen hoofd. Je wilt haar als een jaren vijftig-vrouw bezitten, haar gesuikerde citroentaart voor je laten bakken en de vloer laten boenen tot alles glanst. Je wilt haar het hof maken door haar jas aan te nemen en rozen voor haar mee te brengen, die ze vervolgens schikt met haar blote vingers.

Ik ben niet trots op deze associaties. Liever zag ik in haar een zelfbewuste, stralende jonge vrouw, die haar vloer alleen maar boent omdat ze zo houdt van de geur van was, en die liever op rode laarzen door de wildernis struint om distels uit de grond te trekken, die ze in de natte aarde van haar tuin tussen de bossen lavendel plant. Een vrouw die accordeon speelt en daarbij met grote uithalen zingt. Een vrouw om van te houden.

Ze staat op het affiche en de krant van de Parade. Geschilderd, met een heldergroene achtergrond. Wie haar heeft geschapen, weet ik niet. Ze is uit het niets verschenen en zal waarschijnlijk nooit iemand toebehoren.

Meer weten over de Parade? Kijk dan op www.deparade.nl.

De jacht op het verloren schaap – Haruki Murakami

Alweer een Murakami die me belet om in ook maar enig ander boek verder te lezen: De jacht op het verloren schaap. Dit boek heeft me al weken in de greep en gisteren heb ik het uit gelezen.

Het hoofdpersonage heeft een reclamebureau. Voor een van zijn opdrachten gebruikt hij een foto die hij heeft toegestuurd gekregen van een oude kennis. Kort daarna komt een afgezant van de Leider naar hem toe. De foto moet van de markt worden gehaald, wordt hem medegedeeld. De reden: op de foto staat een schaap met een ster op zijn rug. Dit schaap heeft in de Leider gewoond, maar het is verdwenen. Het hoofdpersonage is aangewezen om het schaap te vinden, binnen een maand, anders heeft het leven voor hem daarna geen enkele zin meer. Zo begint de jacht op het verloren schaap, die ik hier verder niet al te uitgebreid kan beschrijven; de plot in dit boek moet je beslist zelf ontdekken.

Wat me raakt is de voorbestemming van het hoofdpersonage om deze ontdekkingsreis te maken. Aanvankelijk wordt hij gesteund door zijn vriendin – een vrouw met onweerstaanbare oren – maar uiteindelijk staat hij alleen. Dat dat er vanaf het begin al in zit, wordt duidelijk doordat zij geen naam krijgt; ze wordt slechts aangeduid met ‘zij’. Toch zou de reis zonder haar nooit hebben kunnen slagen. Zij voelt namelijk dingen aan; door het volgen van haar intuïtie komt de hoofdpersoon op de plek waar het raadsel zich ontvouwt. De prijs is echter groot: eenmaal op de plek aangekomen vertrekt zij en zal ze nooit meer bij hem terugkeren. De weemoed hiervan blijft hangen, ook al worden dingen op een gegeven moment duidelijk.

Bepaalde stukken van het mysterie blijven bovendien onopgelost, wat een onbevredigend gevoel achterlaat. Dat is misschien de reden dat ik nog niet kan beginnen in een ander boek. Ik wil bijvoorbeeld weten waarom juist het hoofdpersonage is aangewezen om het schaap te vinden, en waarom het überhaupt gevonden moet worden. En hoe zit dat nou met de gave van die vriendin, en waarom mag zij geen getuige zijn van de ontknoping?

Dat deze open plekken niet worden ingevuld, heeft niets te maken met zinloosheid van het verhaal; als lezer ervaar ik absoluut de urgentie van de situatie, ik kan er alleen geen grip op krijgen. Een onbevredigend gevoel dat tegelijkertijd de voedingsbodem is voor een haast onbeschrijflijke bewondering – als een schrijver dat bij zijn lezer teweegbrengt, MOET hij wel geniaal zijn.