Haruki Murakami

Haruki Murakami en ik
Een van mijn favoriete schrijvers is Haruki Murakami. Ik kwam met hem in aanraking toen ik, bij wijze van verlaat verjaarscadeau, van mijn collega Paul het boek Norwegian Wood kreeg.

In de auto begon ik hardop uit dit boek te lezen, zodat ook Melle kon meegenieten. Het begon al goed: volgens Melle las ik dit boek ‘anders’ voor dan anders.
“Hoe dan?” vroeg ik zacht.
“Poëtischer,” was zijn antwoord.

En inderdaad, zijn boeken zijn anders dan de boeken die ik tot dan toe had gelezen. Stiller, maar o, zo krachtig. Na Norwegian Wood heb ik Ten zuiden van de grens gelezen, en de Opwindvogelkronieken liggen nog op mij te wachten.

Biografie Haruki Murakami
Huidige woonplaats: Tokyo, Japan
Geboortedatum: 12 Janurai 1949
Geboorteplaats: Kyoto, Japan
Opleiding: Waseda University, 1973

Haruki Murakami werd in 1949 geboren in Japan, zijn vader was een Boeddhistische priester, zijn moeder een koopmansdochter. De beide ouders van Murakami gaven les in Japanse literatuur, maar daarnaast heeft Murakami zich altijd voor Amerikaanse literatuur geïnteresseerd en onderscheidde zich daarmee al snel van andere Japanse auteurs. In Tokyo volgde hij een opleiding toneel aan de Waseda universiteit in Tokyo.

Na zijn studie opende Murakami een jazz-bar in Tokyo. Veel van zijn boeken (zoals ‘Dance, dance, dance’ 1988) die later verschenen, behandelen niet voor niets een muzikaal thema.

Als auteur beleeft Murakami zijn echte doorbraak in 1987 met ‘Norwegian Wood’. Andere romans van Murakami zijn onder andere ‘South of the Border, West of the Sun’ (1992), ‘Spoetnikliefde’ (1999) en ‘After Dark’ (2004). (Bron: www.murakami.nl)

Avontuur

Ik wil reizen. En dan bedoel ik niet een weekje Texel of een maandje Spanje, nee, dan bedoel ik ver weg. Tokio. New York. Avontuur.

Ik ben nog nooit buiten Europa geweest. Wel heb ik Hongarije gezien, Tsjechië en Kroatië (tamelijk avontuurlijk in het jaar dat in voormalig Joegoslavië de oorlog was uitgebroken), maar dat waren vakanties. Vakanties zijn iets anders dan reizen.

Wat wil ik dan? Hoezeer ik dit ook onder woorden heb getracht te brengen, ik kom niet verder dan het eerder genoemde avontuur. Een brainstorm levert dan de volgende associaties op:
– drugs
– nachtleven
– ontmoetingen
– lichtshows
– vreemd eten
– spirituele trips (van het slaapgebrek)
– het gevoel dat je nooit meer iets hoeft, dat je niet meer naar huis hoeft
– vrij zijn

Een imposant rijtje. Vertwijfeld vraag ik me af of ik soms in een midlifecrisis ben beland. Aan de ene kant trekt het burgerlijke: een gezinsleven, samenwonen, autootje, elke dag verantwoord koken. En aan de andere kant dus niet. Niet nu het nog anders kan.

Blond

Ik heb mijn haar geverfd. Blond. Enkele reacties uit mijn kennissenkring:

– "Heb je een weddenschap verloren?"
– "Hoeveel heb je daar nu voor gekregen?"
– "Is je elektriciteitsrekening nu ook lager?" (ik schijn licht te geven)
– "Wat vind je er zelf eigenlijk van?"
– "Ach, je gaat er niet dood aan toch?"

Hoe het zo ver heeft kunnen komen? Ik wilde highlights, een paar, om een extra zonnig effect te creëren. Daarom had ik een flesje gekocht, Spray Blond, leuk voor op vakantie. Mijn vader vroeg ik elke keer na het wassen wat van dat spul in mijn haar te spuiten, maar het enige resultaat dat ik behaalde was dat ik rossig werd. Toen het echt roze werd en ik huilend naast mijn vriend op ons luchtbedje lag, besloot ik dat het dan maar echt blond moest. Vergeet de highlights, maak het wit, dacht ik. Dan kan ik het volgende week in elk geval nog roze, blauw of paars verven (dat heeft een lichte ondergrond nodig).

En zo geschiedde het: ik liet mijn moeder de volgende ochtend met het spuitflesje los op mijn rossige haar. Het resultaat is stuitend.

Of ik deze week naar de kapper ren voor een roze coupe? We zullen het zien…

Huwelijksweekend

Twee van mijn goede vrienden zijn getrouwd. Met elkaar. Dat is al bijzonder op zichzelf, maar nog bijzonderder is de manier waarop ze het vierden.

We gingen namelijk met veertig van hun dierbaren (voornamelijk vrienden, maar ook hun naaste familie was erbij) een weekend op ‘kamp’. In een voormalige boerderij sliepen we, op de paardenstallen, en om de boerderij heen was flink wat ruimte voor de activiteiten: lachyoga (met dank aan Chantal), hoeden maken (met dank aan Gwen) en… de ceremonie.

Mijn vrienden waren vrijdag al ‘even snel’, maar toch nog bijzonder, getrouwd in het gemeentehuis, maar liever wilden zij een échte ceremonie, en zij hadden mij gevraagd die te maken en te leiden.

En zo kwam het dat ik dit weekend, op een mooi plekje in het bos en in het bijzijn van een kleine groep dierbaren, voor het eerst twee mensen heb getrouwd. Inclusief ja-woord, ringen en tranen!

Vooroordelen

Tijdens de allereerste aangifte die ik deed op het politiebureau:
Agent: Kunt u iets vertellen over het uiterlijk van de dader?
Ik: Nou, ze had lang bruin haar en een lichtgetinte huidskleur. Verder was ze ongeveer zes maanden zwanger.
Agent: Ja, dus wat was die vrouw?
Ik: Hoe bedoelt u?
Agent: Ze was zigeunerin. Kunt u dat bevestigen?
Ik: Ehm, nou ja, dat zou ik niet hebben geweten, maar als u dat zo stelt…

Ik heb een hekel aan vooroordelen. Sterker nog, ik walg ervan. Als mensen zouden stoppen met hokjesdenken, zou de wereld er beter uitzien.

Toch heb ik ze ook. Ik ben ooit beroofd. Het verhaal ging als volgt:
“Ik ben gerold! Mijn portemonnee had ik niet onder mijn jas weggestopt; ik was maar éven in het winkelcentrum, en bovendien hield ik mijn hand voortdurend op het half dichtgeritste tasje, dácht ik…

Toen ik bij een stellage stond, zag ik een vrouw gehurkt bij dezelfde stellage zitten. Op het moment dat ze zich omdraaide naar een man met buggy, daagde het mij: mijn portemonnee! Mijn hand gleed naar het tasje, en inderdaad: tasje opengeritst, portemonnee verdwenen.

Wat te doen? Ik sprak de vrouw direct aan: “Mevrouw, mag ik mijn portemonnee terug?” Ze deed of ze me niet begreep: “Uw portemonnee gestolen? Wat erg voor u! Ik ga wel even hulp halen”. Ze verdween, maar de man met buggy was nog in de winkel. Ik ging bij de ingang staan, want de bewakingsmedewerker was onderweg. De man met buggy kwam naar mij toe en zei: “Nou, die is verdwenen hoor,” waarop hij wilde weglopen, maar ik blokkeerde de buggy en hield hem staande. De vrouw verscheen weer, en begon stennis te schoppen: “Wat maakt u toch een problemen, zo in zo’n winkelcentrum! Wat moeten die mensen wel niet van mij denken?!” Ze gingen ervandoor.

Toen de bewaking er was, zette ik de achtervolging in. Ik zag de man en vrouw nog net een supermarkt ingaan. Wij erachteraan. Het leek wel een western. Ik riep: “Sluit de kassa’s!” en reed de man met zijn buggy klem. De politie kwam en de mensen gingen mee naar het bureau. Mijn portemonnee was verdwenen, maar de hele buggy bleek vol te zitten met gestolen spullen. Na vier uur verhoor gaf de vrouw de zakkenrol toe. Mijn portemonnee was in een bloembak beland, en een vriendelijke agent kwam hem ’s avonds even langsbrengen. De moraal van dit verhaal? Gelegenheid maakt de dief, en de politie is je beste vriend.” (Bron: www.jackies.nl)

Nu, bijna een jaar later, ben ik op mijn hoede als er iemand in de buurt komt van mijn handtas, die aan mijn rolstoel hangt. En, eerlijk is eerlijk, een zigeunerin in mijn buurt houd ik zeker in de gaten!

Nu bracht ik van de week een camera terug naar Dixons. Ik had deze camera een paar dagen ervoor als ‘camera erbij’ gekocht. De kwaliteit liet echter te wensen over dus het ding moest terug. Bij Dixons vond men dit geen probleem; ik kreeg mijn geld retour.

Toen zag ik haar: een ongeveer viertienjarig zigeunermeisje, dat op nog geen meter afstand uitgebreid bekeek hoeveel geld ik terugkreeg (€ 200,-) en waar ik dat geld stopte (achter mijn rug). Intussen riep ze iets in een voor mij onverstaanbare taal naar haar moeder, die achter in de winkel was. Net op het moment dat ik de winkel uitging, verlieten ook de twee dames de winkel, mij in het vizier houdend. Ik racete er vandoor en dacht terug aan die keer in de Blokker, ruim een jaar geleden. Mijn hart ging tekeer.

Natuurlijk was mijn angst ongegrond; ik baseerde mijn gedachten op een slechte ervaring uit het verleden. En ja, nog steeds haat ik vooroordelen, maar helaas, ik blijk ze zelf ook te hebben.

Dertien-vijf

Waarom weet ik niet, maar Melle en ik letten op andere rolstoelgebruikers. Dat is iets wat sommige mensen doen, net als kijken naar dure auto’s of mooie borsten. Zo keek Melle met zijn vorige lief naar mensen die wel of niet uit Sri Lanka kwamen. Indiaas of Sri Lankaans, dat was de vraag. Tijdens ons weekend Berlijn is de vraag: spierziekte of niet?

“Wat denk je, AMC?” vraagt Melle mij bij het zien van een vrouw met slappe handen. Ze zit in een elektrische rolstoel en staat op het punt dezelfde U-Bahn te nemen als wij.
“Nee, dat denk ik niet.”
“Wat dan?”
“Wel een spierziekte, maar geen AMC. FSHD misschien, of HMSN.”

Een dergelijke conversatie zou vreemd klinken uit de mond van een ander, maar voor ons is het heel normaal. Ongetwijfeld heeft mijn werk bij de VSN hiermee te maken; ik kan me namelijk niet herinneren dat ik me in mijn leven voor de VSN ooit eerder heb afgevraagd of iemand AMC heeft of HMSN. Misschien is het ook een manier die Melle in staat stelt betrokken te zijn bij mijn werk. En tot slot poch ik natuurlijk ook graag met wat kennis van zaken.

Toch is het raar. Zelf ben ik namelijk helemaal niet zo bezig met mijn spierziekte. Ook tijdens zo’n weekendje samen weg speelt deze nauwelijks een rol. Berlijn is prima toegankelijk voor rolstoelen; je kunt overal met het openbaar vervoer komen en de chauffeurs van U- en S-Bahnen springen, zodra ze je zien staan, al op van hun bestuurdersplaats om een plank uit te leggen. Hotelkamers zijn goed toegankelijk, en bijna elk restaurant in Berlijn heeft een aangepast toilet.

Als we in een biologisch-verantwoord restaurantje, grenzend aan een bloemenwinkel en dus fris groen en geurend, een invalidentoilet aantreffen, zijn we met stomheid geslagen. Op het toilet staan zelfs twee grote bossen bloemen: dieprode rozen en zonnebloemen. We denken dat de eigenaar op z’n minst een gehandicapte zoon of dochter heeft, maar als we hiernaar informeren, kijkt de serveerster ons verbaasd aan.
“Elk restaurant heeft een aangepast toilet”, zegt ze, “dat is verplicht.”

De gewoonste zaak van de wereld dus, gehandicapt zijn in Berlijn. We denken dan ook heel veel rolstoelers aan te zullen treffen, maar dit valt behoorlijk tegen. Het zijn er zelfs zo weinig dat we de tel kunnen bijhouden. Dit wordt een sport. In twee dagen tijd komen we tot een stand van dertien-vijf. Van de dertien mensen in een handbewogen rolstoel, zijn er zeker elf bejaard. Van de vijf elro’s zit er een in een scootmobiel. Wat een kleine oogst voor zo’n grote stad!

Ruimte voor de stotteraar

Door Kader Abdolah − 27/12/06, 16:52

Wat neem ik mee van 2006 naar 2007? Ik heb veel mooie dingen meegemaakt in 2006, maar ik wil maar twee dingen meenemen. Namelijk twee bijzondere ontmoetingen…

Ik had een lezing op een school die achter de dijken lag, waar kuddes paarden langs de rivier galoppeerden en waar trekvogels over de oude windmolen hun vlucht voortzetten.

Een lezing geven op een school is interessant, er zijn altijd mooie verrassende vragen.

En toen was die jongen aan de beurt. Hij kwam overeind, de klas werd stil en ik was nieuwsgierig naar zijn vraag. Ik wachtte, de leerlingen wachtten, de leerkracht wachtte, maar de jongen kon zijn vraag niet stellen. Hij stotterde, hij worstelde, maar hij kon de vraag niet formuleren. Ik wachtte, de leerlingen wachtten, de leerkracht wachtte en de paarden langs de rivier stonden stil, maar nee, hij kon niet, het ging niet. En toen begonnen de tranen over zijn wangen te lopen. De docent vertelde me dat de jongen altijd stotterde, dat hij verlegen was, maar juist vandaag wilde hij bij jou een poging doen om over zijn stotteren heen te komen.

Die ongewone polderse poging, die moedige Nederlandse worsteling van die jongen en de stilte van zijn klas-genoten en de ruimte voor een ander neem ik als een groot stuk goud mee naar 2007.

De tweede ontmoeting vond wederom plaats in een leslokaal. Deze school lag ook achter de dijken. En het regende en de koeien liepen in de modder achter elkaar aan toen ze me met mijn tas over mijn schouder langs de rivier zagen lopen.

De brug ging dicht en een wit schip voer zachtjes langs mijn modderige schoenen de sluis in. Daarna wandelde ik verder naar de school. De conciërge begeleidde me naar het lokaal waar ik de lezing moest houden. Maar de leraar was er nog niet en de leerlingen hadden het zo druk dat ze niet eens merkten dat de gast gearriveerd was. Ik ging voor het schoolbord staan. Mijn blik viel op een gehandicapte vrouw die helemaal achter in de klas in een rolstoel zat. Precies op dat moment kwam de rolstoel in beweging. Zo zittend in haar rolstoel was ze een kop kleiner dan alle andere leerlingen. Even dacht ik: ‘Zou zij de leerkracht zijn? Hoe kan ze deze drukke leerlingen tot stilte manen?’

Ze parkeerde naast me en gaf me een hand. Haar hoofd kwam tot aan mijn middel. Toen drukte ze op een knopje op haar rolstoel en draaide naar de klas. Alle leerlingen gingen bijna automatisch recht in hun stoelen zitten. Nu drukte ze op een ander knopje. Haar stoel veerde omhoog, als een lift. Ze werd een lange blonde Nederlandse, een kop groter dan ik.

Pas nu zag ik haar mooie gezicht, haar rood gestifte lippen en haar half geopende kraag.

De klas werd muisstil. De trekvogels stopten om te kijken wat er aan de hand was.

Ik wil die Hollandse schoonheid, die rolstoel, die rood gestifte lippen en die half open kraag, graag wandelend over de dijk, mee naar 2007 nemen.

(Bron: Volkskrant)