Er hangt geen gevoel vandaag.
Ik me had verheugd
op een dag
waarin ik
opgehitst door kunstzin
pijn zou voelen of liefde
of leegte
tenminste.
© Hann van Schendel, februari 2008
Hann van Schendel
Er hangt geen gevoel vandaag.
Ik me had verheugd
op een dag
waarin ik
opgehitst door kunstzin
pijn zou voelen of liefde
of leegte
tenminste.
© Hann van Schendel, februari 2008
Seksuele intimidatie op het werk, de damesbladen staan er vol mee. Toch had ik nooit gedacht dat het mij zou overkomen. Tot vandaag. Om op mijn werk naar de wc te kunnen, moet ik met de lift de kelder in. Helaas is het niet echt een betrouwbare lift; mijn (lopende) collega’s zetten hem wel vol met dozen, pakken papier en andere zware spullen, maar zelf nemen ze steevast de trap. Waarom? De lift is al verschillende keren tussen twee verdiepingen blijven steken. Mij is dat gelukkig nog niet overkomen, al vinden sommige collega’s het schijnbaar nodig om mij er elke keer even aan te herinneren hoe onbetrouwbaar het ding eigenlijk is.
Zo ook vandaag. Toen ik in de kelder wilde instappen, haalde de oudpapierman net een container uit de lift. Zelf was hij met de trap naar beneden gegaan en hij zei:
"Mij krijg je niet in dat ding hoor."
Mijn leidinggevende, die toevallig langs liep, merkte op dat je prima met de lift kunt gaan, als je jezelf maar een tijdje weet te vermaken (mocht je blijven steken). De oudpapierman keek me een paar seconden aan en zei toen met een vettige stem tegen mijn baas:
"Nou, met haar wil ik best in de lift hoor, dan vermaak ik me wel een halve dag."
Een seconde lang drong het niet tot me door wat hij bedoelde, tot ik er een beeld bij zag waarvan de rillingen over mijn rug liepen. Totaal geshockeerd reed ik naar binnen en drukte ik op de knop naar boven, waar mijn toilethulp (en tevens goede vriend) me lachend opwachtte. "Moet je gewoon zien als een compliment," vond hij.
Ik ben best ijdel en ik heb normaal gesproken echt geen problemen met wat mannelijke aandacht, maar deze opmerking ervoer ik als ronduit intimiderend. Hoe dat nou komt? Ik heb er twee verklaringen voor: ten eerste vond ik de man onaantrekkelijk, maar veel belangrijker nog: hij sprak OVER mij tegen een andere man, wat mij degradeerde tot een lustobject. Begrijp me niet verkeerd: niks mis met lust, maar dan wil ik wel het subject zijn.
Een tip dus voor elke man die een collega avances wil maken: zeg tegen haar dat je haar leuk/lekker vindt en vraag of ze na werktijd iets te doen heeft. Dan kan ze zelf bedenken of dat een goed idee is. Gegarandeerd meer kans van slagen!
Ze kijken nieuwsgierig als ik de tram binnenrijd en mijn rolstoel omhoog zet om af te stempelen: een vrouw met een stijlvolle, groene hoofddoek en haar twee kids. Het meisje moet een jaar of acht zijn. Ze heeft een gouden knopje in haar neus. Haar kleren zijn typisch voor meisjes van een jaar of acht: roze-rode gymschoenen, een maillot, een korte rok van ribstof en daarboven een niet al te besmettelijke, donkerblauwe jas. Het meest opvallend aan haar is haar Unox-muts, die scheef op haar hoofd staat.
Het jongetje is iets jonger, hooguit zes jaar. Hij kan zijn nieuwsgierigheid nauwelijks bedwingen en bekijkt nog eens goed hoe ik mijn stoel weer laat zakken.
Het is maar goed dat ik heb afgestempeld, want een halte verderop stappen tien controleurs de tram binnen. De vrouw met de hoofddoek pakt drie abonnementen uit haar tas en laat die zien. De controleur loopt verder en ja hoor: raak. Een man heeft geen vier strippen afgestempeld, maar drie. Hij moet met de controleurs mee naar buiten en de tram rijdt verder.
Opgewonden kijkt het jongetje om, waar de man wordt omringd door de tien grote mannen in uniform.
“Heeft hij niet gestempeld?” Sensatie klinkt door in zijn stem.
“Jawel,” zeg ik, “maar niet genoeg. Hij moest vier strippen, maar had er maar drie.”
De jongen begint te glunderen: “Wíj hebben een abonnement!”. Nu mengt ook zijn zus zich in het gesprek: ze vertelt dat hun school het abonnement betaalt, omdat ze altijd met de tram moeten. Ik vraag haar op welke school ze zitten, en zij noemt een naam die ik nog nooit heb gehoord.
Dan gebeurt er iets verschrikkelijk schattigs. Het jongetje roept vol trots: “Mijn moeder gaat ook naar school,” en hij wijst naar buiten: “dáár!”. Hoewel de vrouw zich tot nu toe een beetje afzijdig heeft gehouden van het gesprek, vraag ik haar of ze Nederlands leert. Ze durft te praten, bedachtzaam, en vertelt dat ze inderdaad Nederlands leert, op het ROC.
“Maar wij komen niet uit Marokko, hoor,” onderbreekt het meisje haar moeder vlug. Zij trekt haar Unox-muts recht en ik vraag waar ze dan wel vandaan komen. Met zijn drieën leggen ze uit dat ze uit Afghanistan zijn gevlucht, omdat daar oorlog heerst. Ze zijn nu twee jaar hier.
Ik zou ze het liefst uitnodigen op de thee, want ik vind ze aardig. Maar helaas: we komen aan bij hun bestemming en ze stappen uit. Als de tram verder rijdt, draaien ze zich alledrie om en zwaaien ze me uit. Mocht ik ze ooit weer tegenkomen, die vrouw met haar trotse kinderen, dan bedenk ik me geen tweede keer.
Het is vrijdagavond zeven uur. We hebben haast: over een half uur gaat de zaal open en om een beetje een goede recensie te schrijven, is een goede plek van belang. En het wordt druk, want Toots Thielemans geeft een concert in het kader van de Leidse Jazzweek.
Om die reden zet ik mijn principes voor één keer opzij en besluiten we voor een snelle hap te gaan, bij McDonalds. Er is geen drempel voor de deur, maar om bij de counter te komen moet je een trapje op. We kijken rond en zien een lift.
“Die kunt u niet gebruiken, hoor.” Een opgeschoten knul met McDonalds-outfit kijkt ons schichtig aan. Hij legt uit dat de lift alleen naar de keuken gaat. “Maar u kunt gerust hier beneden plaatsnemen,” en hij maakt een handgebaar. Om ons heen zitten allerlei mensen te eten, dus ik begrijp niet waarom dat klinkt als een aanbod.
Ik kan de menu’s niet zien, dus vraag ik of er ook menukaarten zijn, zodat ik zelf een keuze kan maken. Menukaarten zijn er niet, evenmin als kaarten in groot lettertype of braille. Normaal gesproken liggen die er wel, weet Melle mij te vertellen. Hij is vaste klant.
En dus gaat Melle het trapje op om uit te zoeken of er vegetarische menu’s zijn. En zowaar: je kunt een vegaburger met frites en frisdrank bestellen, tegen een redelijke prijs. Dat lijkt me wel wat. Door een reclameposter bij de ingang weet ik dat McDonalds ook bruine broodjes verkoopt. Ik bestel dus een vegamenu met een bruin broodje.
Vijf minuten later komt Melle weer beneden. “Ze hebben alleen een vegetarische burger op een wit broodje.” Ik kijk hem vragend aan.
“En die poster dan?”
“Bruine broodjes zijn alleen voor bij de Chicken Gourmet.” Melle kijkt er een beetje hulpeloos bij.
“En als ik nou vijftig cent extra betaal?” probeer ik, maar Melle legt uit dat ze geen bruine broodjes bij een vegetarische burger MOGEN verkopen. Dat staat in de reglementen.
Ik heb alweer spijt dat we de McDonalds zijn binnengegaan, maar tijd om ergens anders nog iets te scoren, is er niet meer: het concert begint over twintig minuten. Daarom neem ik maar een Griekse salade: het enige vegetarische alternatief.
Ik vraag me af of ik dat bruine broodje wél had gekregen als ik zelf mijn bestelling had kunnen doen. In ieder geval zou ik de discussie met zo’n McDonalds-medewerker aangaan, net zo lang totdat ‘ie het zat is en toegeeft. Dat wil ik Melle niet aandoen – niet voor een broodje waarvan hij niet eens zelf kan genieten. Bovendien houdt hij niet van doordrammen. Ik wel, als ik iets maar onrechtvaardig genoeg vind.
De vraag is dus wat een grotere handicap is: mijn spierziekte of de overtuiging dat je beter geen dode dieren kunt eten. De combinatie is in elk geval fataal, althans: bij McDonalds in Leiden.
Ze zit al in de trein als ik binnenkom: een grote zwarte hoed op haar hoofd, lang rood golvend haar eronder. Een John Lennon-bril op haar ronde, met kleine rode adertjes getekende gezicht. Ze kijkt niet op of om als ik mijn rolstoel vlak naast haar parkeer, maar houdt haar blik strak gericht op haar handen. Droge handen die trillen.
In haar linkerhand heeft ze een stapeltje kaarten. Ze draait er snel achter elkaar drie om, neemt nauwelijks tijd om ze te bekijken, legt ze onderop de stapel en draait drie nieuwe kaarten om. En nog een. Daar blijft haar blik even op rusten. Dan steekt ze de kaarten terug en blijft roerloos zitten. Naast de vrouw op de grond staat een tas met gouden paletten. Er steken gekleurde indianenpijlen uit. Een vage wierrooklucht dringt mijn neus binnen, gemengd met de geur van oud zweet. Dat heb ik weer.
Eerst voel ik plaatsvervangende schaamte. Ik kijk de andere kant op, maar wil haar ook niet horen, dus zet ik mijn iPod op. Hopelijk spreekt ze me niet opeens aan, klampt ze zich niet aan me vast om mijn toekomst te voorspellen. Ik kijk uit het raam en neurie zacht mee met de muziek. Er voor iemand zijn die het moeilijk heeft, daar gaat het liedje over. En dan schaam ik mij. Weg met die iPod.
Naast me zit de vrouw alweer kaartjes te draaien: een, twee, drie… vier, vijf, zes, zeven… acht… negen, tien, elf… twaalf. Dan blijft ze een halve minuut naar nummer twaalf staren, bladert terug naar een paar eerder omgedraaide kaarten en steekt alle kaarten terug onder op de stapel. Het valt me op dat ze niet schudt.
"Wat bent u eigenlijk aan het doen?" Ik probeer zo neutraal mogelijk te klinken.
"Oh, gewoon patiencen, maar dan anders."
Als ik haar niet-begrijpend aankijk, voelt ze zich kennelijk aangemoedigd: "De tarot is gewoon ontstaan uit patience, hoor. Kijk, dit was eerst schoppen, en dit harten."Ze houdt twee kaarten omhoog. Moet ik me van de domme houden, hoewel ik ervan overtuigd ben dat mevrouw wanhopig op zoek is naar een profetie uit de eerste hand? Ik knik.
"En bent u dan op zoek naar een bepaalde kaart?"
Nu is het haar beurt om mij niet-begrijpend aan te kijken.
"Omdat u zo snel door de stapel heen bladert."
Ze legt me uit dat ze kijkt naar de volgorde waarin de kaarten verschijnen, en dat ze daar dan verhaaltjes van maakt. Of gedichten, want ze is dichteres. En zangeres, troubadour eigenlijk. Ze heeft me. En dus vraag ik verder.
De vrouw met haar ronde gezicht blijkt een goede verteller – ik hang aan haar lippen als ze vertelt over een verstandelijk gehandicapte die wilde weten hoe de prins van Assepoester dat nou toch deed met die schoen; een schoenenwinkel stond immers vol met paren van dezelfde maat? Haar ogen lichten op als ze vertelt hoe háár uitgeverij de bundel uitbracht van een dichter die ook bij een grote uitgeverij terecht had gekund.
In vijf minuten tijd verandert de vrouw van een lunatic in een inspirerende duizendpoot die hiermee nog haar geld verdient ook – hoewel dit niet altijd van een leien dakje gaat: "Mensen denken altijd dat ik wel kom opdraven voor reiskosten en een kopje koffie, maar ik moet ook gewoon de huur betalen." Vervolgens geeft ze me haar kaartje. "Deze kant is zakelijk, en deze kant," ze draait haar kaartje om, "is privé." Welke zijde voor mij is bedoeld, ontgaat me.
We zijn in Eindhoven. De vrouw staat op en stapt zonder nog een woord te zeggen de trein uit. Ik zie nog net hoe ze haar tarotdek in haar tas laat glijden. Dan is ze verdwenen, mijn troubadour.
Relaxed achterover leunen en tegelijkertijd op het puntje van je stoel geslingerd worden door spannende sounds. Vaste composities, die van het begin tot het einde aan elkaar worden geïmproviseerd. Het lijkt tegenstrijdig, maar het kan – ik heb het meegemaakt tijdens een concert van The Flatlands Collective.
The Flatlands Collective is een jazzsextet bestaande uit één Nederlander en vijf musici uit Chicago. Het vlakke land waarin ze opgroeiden hebben ze met elkaar gemeen. Hun naam is dus niet willekeurig gekozen, sterker nog: omgeving vormt een belangrijke bron van inspiratie voor de band. Zo zijn de composities geïnspireerd door zaken als misthoorns en schommelstoelen, wat verrassende geluiden oplevert, zoals een trombone zoals je hem nog nooit hebt gehoord – droog, schurend of soepel glijdend, maar altijd loepzuiver -, of een saxofoon die, naast de meeslepende tonen waarvan je hem kent, ook frisse, klakkende geluidjes kan voortbrengen.
Bijzonder is de ruimte die elk instrument binnen de band krijgt. Hoewel de blazers echt de sterren van de hemel spelen – zowel solo als in samenspel -, zijn er ook hoofdrollen weggelegd voor de anders zo vaak weggestopte drums en contrabas. De cello heeft een compleet eigen geluid, dat geheel meevloeit in de kabbelende beken en wild uiteenspattende watervallen van de rest.
Elkaar zoveel ruimte geven voor eigen sounds en tegelijkertijd in volledige symbiose met zes man op het podium staan, is een muzikale topprestatie die je mijns inziens niet mag missen. Dat experimentele jazz zo liefdevol kan zijn! Mocht je vanavond tijd hebben, stap dan in de auto naar Eindhoven. Het is je laatste kans, want het is voorlopig hun laatste optreden in Nederland.
The Flatlands Collective bestaat uit: Jorrit Dijkstra (altsaxofoon, lyricon), James Falzone (klarinet), Jeb Bishop (trombone), Fred Lonberg-Holm (cello), Jason Roebke (contrabas) en Frank Rosaly (drums). Klik hier voor meer informatie over Jorrit Dijkstra en zijn band.
To blog or not to blog? That’s the question. Toen ik dit liedje voor het eerst hoorde, moest ik er wel om lachen. Echt iets voor Morris: hip en toch een beetje gek – een goede combi. Binnen een week was het nummer op Radio 1 en kort daarna kon je het downloaden – tegen een betaalbaar tarief. Van de opbrengst ging Morris een maand naar New York om daar muzikanten te interviewen.
– Ik wil ook een maand naar New York.
* Alsof jij nog niet genoeg op vakantie bent geweest de afgelopen tijd.
– Maar ik wil niet op vakantie, ik wil reizen.
* Je komt net uit Gent. Waar doe je het toch allemaal van?
– Dolen…
* Hey?
– Niet eens een maand, een paar maanden!
* Waar je het toch allemaal van doet, vroeg ik.
Ik werk. Vier dagen per week. En ja, dan heb je geld om regelmatig een weekje of weekendje op vakantie te gaan. Maar er zijn mensen die op een creatievere manier hun geld verdienen. Morris bijvoorbeeld, of Jan, door wie ik vanochtend uit bed ben gehaald.
Jan is het soort kunstenaar dat geld kan verdienen door en public in een rode overal houten planken aan elkaar te timmeren. Om toch niet aan het einde van zijn geld een stukje maand over te houden, werkt hij erbij als verzorger. En dat doet ‘ie goed: we hebben altijd gespreksstof onder de douche. Eind deze maand gaat hij bijvoorbeeld in India songteksten voor zijn band schrijven en hij is bezig een opleiding in elkaar te zetten voor medewerkers van de – eveneens door hem bedachte – CannaBistro.
Naast mensen als Morris en Jan voel ik me burgerlijk. En laten we eerlijk zijn: op de bonnevoie naar New York of India afreizen om daar te doen wat je moet doen, is ook gewoon spannender dan vier keer per week in de file staan naar je werk – hoe leuk je werk ook is.
Toch kies ik elke dag weer voor de zekerheid van een vast inkomen, zodat ik ’s avonds kan bedenken of ik drie of vier soorten groenten op mijn bord wil en ik niet ben gedoemd om jarenlang helemaal niet op vakantie te kunnen. Want dat risico loop je natuurlijk wel als je moet leven van de kunst. Nee, ik blijf lekker in de file staan voor die toch wel heel leuke baan!
Geen sociaal leven meer, exit seksleven, snot en vieze vingertjes, onopgeruimde blokkendozen, luizen, een Moederlijk Geweten. Als je dit zo leest, ga je er bijna aan twijfelen, maar toch zou ik ze graag willen: kinderen.
Het is voor niemand vanzelfsprekend dat er kinderen komen en dat die dan ook nog eens gezond zullen zijn, maar voor een vrouw met een handicap is dat nog iets minder vanzelfsprekend. In het verleden heb ik geprobeerd uit te zoeken of mijn kinderwens lichamelijk gezien terecht was. Ver ben ik toen niet gekomen, omdat de longarts en gynaecoloog het niet wenselijk vonden dat een vrouw in een rolstoel (met haar partner) een kind zou krijgen.
Tegenwoordig zijn artsen gelukkig minder dogmatiserend – medische steun bij onze kinderwens is voor mijn vriend en mij niet meer uitgesloten. Toch word je als gehandicapte vrouw met een gezonde partner continu met vragen bestookt waarmee je eigenlijk niet bestookt zou mogen worden: of we wel goed hebben nagedacht over de praktische gang van zaken als het kind er eenmaal is. Wie er dan voor het kind gaat zorgen. Of we ons wel realiseren dat het zwaar wordt.
Ja, we hebben er goed over nagedacht: ik blijf werken en mijn vriend neemt de zorgtaken voor het kind op zich. Is dat zo raar? Ik denk dat onze kinderwens als normaal zou worden ervaren als de rollen zouden zijn omgedraaid – als een gezonde vrouw met haar gehandicapte man een kind zou willen. Dit past namelijk veel beter in ons conventionele plaatje van hoe het hoort: een vrouw zorgt en een man werkt. De reacties uit onze omgeving zijn dus niet alleen een grove belediging voor ons, maar voor alle mannen en vrouwen die de stereotiepe rolpatronen willen doorbreken.
Jaarwisselingen zijn goed. Elk jaar weer heb je een schone lei; je kunt opnieuw beginnen: niet meer roken, tien kilo afvallen, geen foute mannen aantrekken, meer tijd besteden aan je vrienden, je ouders, je toch steeds ouder wordende oma… Dat je in feite elke dag opnieuw kunt beginnen, elk moment zelfs, wordt helaas vaak vergeten.
Het jaar 2006 was voor mij een zogenaamd ‘slecht jaar’. Toen ik op 31 december, precies een jaar geleden, met Melle in een hotel in Antwerpen met pen en dagboek in de hand het jaar evalueerde (zoals ik dat elk jaar doe), realiseerde ik mij hoe stressvol dat jaar eigenlijk was geweest. Wel sloot ik 2006 goed af; wie zit er nu niet graag met de liefde van zijn leven vanuit een royaal tweepersoons bed op de tiende verdieping naar het vuurwerk in de stad te kijken?
2007 was het jaar van de veranderingen: op 2 januari werd ik ontzettend geraakt door een passage uit De Zahir (met dank aan Paulo Coelho, en aan Melle, die het me voorlas), in maart startte ik met mijn nieuwe baan bij de VSN en werd ik voorzitter van het Netwerk CG van GroenLinks. Mijn lief en ik zijn acht keer op vakantie geweest en inmiddels dragen we ieder een hele fijne, roodgouden verlovingsring.
Ik heb het dus goed gedaan in 2007. Voor mij dan ook geen goede voornemens. Wel heb ik dromen en verlangens. In januari hoop ik duidelijk te hebben of we onze kinderwens voortgang mogen bieden. Met mijn werk wil ik veel jongeren met een spierziekte (en hun ouders) bereiken. Ik hoop dat zij op elk moment in 2008 stappen zullen ondernemen om zelfstandiger te worden, en zo nodig zal ik hen daar, desnoods in mijn vrije tijd, bij begeleiden. In de politiek hoop ik dingen te bereiken: een toereikend participatieplan voor chronisch zieken en gehandicapten in Nederland, maar ook een persoonlijke politieke ontwikkeling ga ik niet uit de weg.
Kortom: 2008 wordt een mooi jaar!
Ik zou er een recensie over kunnen schrijven, maar dat doe ik niet. Er zijn namelijk al zó veel lovende woorden aan gewijd, zó veel veel ware en rake woorden, dat het tijdverspilling zou zijn deze opnieuw te kiezen. Toch wil ik je deze filmtip niet onthouden. La Tourneuse de Pages: de beste film die ik in maanden heb gezien. Een rond verhaal en krachtige, maar subtiele personages tegen een prachtig fotografisch decor. Wat wil een mens nog meer?
Mélanie, een tienjarige slagersdochter, heeft een passie voor de piano. Tijdens haar conservatorium-toelatingsproef verliest ze de concentratie door een onoplettendheid van de juryvoorzitster, een bekende pianospeelster (Cathérine Frot). Verbitterd en ontgoocheld beslist ze om het pianospelen voorgoed op te geven.
Een tiental jaar later is Mélanie (Déborah François) een jonge twintiger die als stagiair aan de slag gaat bij een succesvol advocatenbureau. De grote baas, Fouchécourt, is niet toevallig de man van de toenmalige juryvoorzitster, Ariane, die haar droom aan diggelen sloeg. Ze laat zich opmerken en mag aan de slag ten huize Fouchécourt, als oppas van het zoontje. Mélanie is lief, aardig, attent, loopt constant rond met een creepy mysterieuze glimlach en wint al snel het vertrouwen van Ariane, die geen flauw benul heeft dat ze het meisje al eerder heeft ontmoet. Ariane voelt zich zelfs zo goed in de buurt van Mélanie dat ze wordt aangesteld als de persoon die de partituren omdraait. Een belangrijke taak die veel kan betekenen voor de prestatie van de gevierde pianiste. En dan begint Mélanie haar eigen spel te spelen… (bron: http://www.digg.be/movie.php?id=1134)
Meer lezen over La Tourneuse de Pages? Klik dan hier.
Captain’s courage. We lezen de titel en bekijken het schilderij, gemaakt door Tim Braden. Vier mannen op een boot vechten tegen het hoge water. Het is een tweeluik: aan de rechterkant zie je een wereldkaart, geschilderd op een houten plaat met een handgreep. De plaat blijkt tussen twee geulen (aan de boven- en onderkant) te zitten en is dus verschuifbaar.
"Moet je kijken!" Ik wijs opgetogen naar het rechterdeel van het schilderij. "Daar zit nog iets achter!"
Melle inspecteert de constructie en is het met me eens: we hebben hier overduidelijk niet te maken met een tweeluik, maar met een drieluik. De wereldkaart kan over de mannen in de boot worden geschoven, waardoor er een derde beeld tevoorschijn zal komen.
"Maar zou dat wel mogen?"
"Tuurlijk," zeg ik stellig, "daar is het toch voor bedoeld? Bovendien: het heet Captain’s courage. Dat is een hint." Ik ben dol op hints. En op interactiviteit. Dat heeft Braden mooi bedacht.
De plank is een beetje kromgetrokken door de verf, dus hij schuift niet zo makkelijk. Even nog kijken we elkaar aan: zou dit echt wel de bedoeling zijn? "Ja", besluit ik, "overduidelijk".
Op het moment dat Melle zich schrap zet, komt de plank in beweging. En inderdaad: we hebben het kunstwerk tot zijn recht gebracht; achter de plank vandaan ontvouwen zich formules van wit krijt op zwart schoolbord.
Sirenes. Een conservator snelt op ons af. Hij schreeuwt dat Melle los moet laten, dat dit niet mag, dat dit deel van het museum alleen kijken is, niet aanraken, dat hij er iemand bij gaat halen, dat dit toch niet kan, dat hier een melding van gemaakt moet worden.
Er verschijnt een vrouw in uniform. We moeten mee naar een achterkamertje, waar we nog eens berispend worden toegesproken. Mijn telefoonnummer en e-mailadres worden genoteerd.
"Waarom hangt er geen bordje bij? ‘Niet aanraken’ of, als dat de bedoeling zou zijn, ‘Aanraken toegestaan’?"
"Dit is de eerste keer dat dit gebeurt, mevrouw."
Dat kan ik haast niet geloven. Zou niemand het eerder hebben geprobeerd? Hebben mensen niet doorgezet omdat de plank zo stroef glijdt? Laffaards zijn het, geen moedige kapiteins met het roer in eigen hand.
Eenmaal terug in het museum zien we conservatoren het schilderij bestuderen: de één na de ander loopt er langs. Captain’s courage heeft nog nooit zoveel aandacht gehad. We hebben dus in ieder geval iemand gelukkig gemaakt: de kunstenaar. Wedden dat hij in zijn vuistje zit te lachen? Eindelijk iemand die hem verstaat.
Nieuwsgierig naar de expositie? Klik dan hier. Of bekijk meer werk van Tim Braden.
"Wendelaa houdt fucking veel van Jill". Deze ’tik’ kwam ik tegen op Hyves, op de persoonlijke pagina van een 14-jarige dame. Fucking veel van iemand houden, dat is nog eens mooi! Is het ziel wat zich toont? Of ben ik gewoon geen puber meer, maar een oude taart, die niet meer in staat is om fucking veel van iemand te houden?
Ik kies voor de ziel, want het gaat natuurlijk niet om dat puberale woord fucking. Wat me wél raakt, is de tegenstelling tussen het rauwe fucking en het lieflijke houden van. Deze combinatie associeer ik met de samentrekking tussen bitter en zoet – hoewel bitterzoet inmiddels zo´n cliché is geworden dat de gemiddelde Nederlander er niet meer warm of koud van wordt.
Fucking veel van iemand houden veroorzaakt in mij eenzelfde soort trilling als kunst, maar dan vooral kunst die ik zelf ga maken, plannen over kunst, nog niet verspilde kunst, voorstellingen van happenings die IK heb gemaakt. Happenings met foto’s, muziek en filmpjes van duistere plekken en op de achtergrond het geluid van een speeldoos. Of een baby die huilt. Een vollopend bad.
Wendelaa heeft iets in me losgemaakt wat er goddank nog zit.