Tentverhaal

Eindelijk. Na vele enthousiaste verhalen van vrienden zijn ook wij dit jaar naar Charme geweest. Charme is een creatieve en kunstzinnige camping in Frankrijk, waar je dagelijks verschillende workshops kunt doen onder begeleiding van professionals, zoals schrijven, houtbewerking, zang, theater, dans, …

Ik nam me voor elke dag iets anders te doen en vooral ook een beetje buiten mijn comfortzone te werken. Zo heb ik rapteksten van Kraantje Pappie gezongen in een koor (om maar iets vervreemdends te noemen).

Er was echter één workshop die wél helemaal in mijn straatje viel: het maken van een tentverhaal geïnspireerd op de stijl van Jan Rothuizen. Ik kende deze stijl nog niet, maar verwerk zelf graag tekst in mijn tekeningen. Wat ik ook leuk vond aan deze workshop, was de journalistieke insteek; je observeerde de tent van een ander, noteerde wat je er allemaal aan opviel en vervolgens noteerde je waarover je graag meer wilde weten. Vervolgens kreeg je een kwartier de tijd om de bewoner van de tent te interviewen. Daarna ging je aan de slag: je zette het verhaal om in woord en beeld.

Hieronder het tentverhaal dat ik maakte van Judith, met wie ik een duo vormde:

Tentverhaal, opgemaakt door Hann van Schendel

Terwijl ik me verwonderde over de mysteries rondom Judiths tent (Waar is deze oude tent allemaal al geweest en van wie is die tent ernaast? Waarom staat daar een fles met jassenspray? En zou ze van merkkleding houden?), zat Judith bij onze blokhut, Bottet.

Hieronder vind je mijn ‘tentverhaal’, gemaakt door Judith:

Tentverhaal, opgemaakt door Judith Vlagsma

De workshop viel niet buiten mijn comfortzone, maar kennelijk is dat niet altijd nodig voor een groot verrassingseffect; wat leer je veel over een ander als je eerst observeert en van daaruit je vragen stelt. We bleven weg van hobby’s, werk en gezin (dat kwam later alsnog) en zo ontstond er een ánder beeld en geluid: het tentverhaal.

En het leuke is: je kunt overal een tentverhaal van maken. Alles wat je ervoor hoeft te doen, is goed kijken, jezelf verwonderen en dan die vraag ook daadwerkelijk stellen.

Dansen in de regen

Iets na zevenen: bijna kinderbedtijd. De voordeur staat open en ineens begint het te regenen. Niet die regen die we al de hele maand juni hebben, maar echte regen: moessonmaandregen. De kinderen kijken hun ogen uit.

‘Wil je een rondje door de tuin rennen?’ vraag ik Jonne – en als ik haar een beetje weifelend maar verlekkerd naar het frisse, glanzende groen zie kijken, spoor ik haar aan: ‘Doe maar, is lekker!’

Melle doet er nog een schepje bovenop: ‘Gaan we samen?!’ Ze rennen een rondje en komen doorweekt terug. Jonnes haar druipt in haar ogen, maar ze straalt en is bepaald niet van plan het hierbij te laten. Als een kalf dat voor het eerst in de wei komt, dartelt ze in het rond.

‘Ingo, trek je laarzen aan, dan kun je ook!’ roep ik. Hij is doorgaans wel te porren voor een lolletje – zeker als dat lolletje van de gebaande paden afwijkt -, maar deze keer aanschouwt hij zijn zus van een afstand. Dan loopt hij naar zijn laarzen, trekt ze aan en zet voorzichtig één stap in de tuin. Melle pakt een waterpistool en spuit Ingo verder nat. Hij is om: gillend van plezier staat ook Ingo ineens midden in de tuin.

Ze dansen. Ze springen in de plassen. Ze houden het reservoir van hun waterpistool onderaan de regenpijp en spuiten elkaar nog natter. Jonne richt haar gezicht naar de hemel, houdt haar mond wagenwijd open en roept uitgelaten: ‘Van regen wordt water gemaakt!’

Ik denk aan vroeger, aan hoe ik urenlang heb gewandeld door de regen, hoe ik mijn haar en gezicht kletsnat liet regenen terwijl mijn rolstoel werd drooggehouden door een zwarte regencape (Knightrider was er niets bij). Door mijn kinderen herinner ik me hoe ongelofelijk heerlijk het is: dat het niets meer uitmaakt hoe hard het regent, want natter kun je toch niet worden.

Ik twijfel: zal ik ook…? Maar het is niet nodig. Dit zien, hun kinderlijke geluk, is puur genieten.

received_1151720724870316

Die meisje is heel mooi

Het is zaterdagmiddag. We zijn met z’n vieren in het Woeste Westen, een speeltuin waar kinderen lekker in de natuur kunnen ravotten. Als we net ons boven het kampvuur gebakken broodje op hebben, lopen we naar de speeltoestellen. Jonne roetsjt al met de kabelbaan over de sloot, maar Ingo blijft plotseling stokstijf staan.

‘Die meisje is heel mooi, mama,’ zegt hij zachtjes. Hij wijst in de richting van de schommel, waar een meisje van een jaar of acht met een paar vriendjes aan het spelen is. Zo te zien hebben ze een verjaardagsfeestje.

‘Wat vind je zo mooi aan haar?’ vraag ik.

‘Haar blauw-witte jurk,’ antwoordt Ingo. Hij denkt even na. ‘Eigenlijk vind ik alles mooi aan haar.’

Ingo draalt een beetje rond. Na een minuut of tien trekt hij de stoute schoenen aan en stapt op het meisje af, gaat vlak voor haar staan en kijkt haar lang aan. Als ze niet reageert, doet hij een stapje dichterbij. Het meisje neemt een handje chips uit haar zakje, eet het op en gaat verder met spelen.

‘Kom maar, Ingo,’ zeg ik, ‘dan gaan wij ook weer spelen.’

‘s Avonds bij het naar bed gaan, vraagt Melle de kinderen wat ze het leukst van de dag vonden.

‘Die mooie meisje,’ zegt Ingo. Hij valt even stil. ‘Maar ze zág me niet.’ Zijn gezicht betrekt. Hij vraagt ons waarom we haar telefoonnummer niet hebben gevraagd, zodat ze een keer met hem kan komen spelen.

‘Ach Ingo,’ zegt Melle, ‘de wereld zit vol met mooie meisjes. Maar misschien zit je later wel op de bank met je vriendinnetje en dan kijken jullie in haar fotoboek, en dan zie je haar ineens, in haar blauw-witte jurk. Dan zul je haar vást herkennen.’

Ingo bloost. Hij heeft het flink te pakken.