Een wegenkaart? Zó 2006! – Las Iberias I

De auto is propvol als ik erin rijd. Tussen de koelkast en het chemisch toilet parkeer ik mijn rolstoel. Mijn linkervoetenplank leunt op de medicijntas, de rechter op de vrijetijdstas met boeken, tijdschriften en de batterijoplader van mijn camera. Om ook mijn matras en een aankleedkussen mee te nemen, heeft Melle de bijrijdersstoel uit de auto gehaald. Daar bovenop staat een doos met proviand: mueslibollen, versgesneden groenten en, niet te vergeten: de salmiakballen.

"Hoe rijden jullie eigenlijk," vraagt mijn vader, die samen met mijn moeder op ons huis past, "via Antwerpen, Parijs, Bordeaux?"
"Geen idee pap, we hebben een TomTom."
Mijn vader kijkt me vol ongeloof aan. "Hebben jullie wel een wegenkaart bij jullie?" vraagt hij.
"Een wegenkaart?" Nu is het mijn beurt om ongelovig te kijken. "Pap, dat is zó 2006!"
"En als ´ie nou kapot gaat?"
"Hij gáát niet kapot."
Melle valt me bij: "En anders hebben we zo een wegenkaart gekocht bij een tankstation."

Sinds februari 2007 zijn wij in het gelukkige bezit van een TomTom. Bijgevolg: je gebruikt nooit meer een kaart. Dat bespaart een hoop tijd. Deze keer brengt hij ons als het goed is naar een klein dorp in het noorden van Portugal.

In Frankrijk gaat alles voorspoedig. Om de 15 kilometer geeft TomTom aan dat we een hotel of restaurant kunnen verwachten; zijn indicatie van onze snelheid is bovendien een stuk preciezer dan die van onze kilometerteller, die gerust durft te beweren dat we 140 km. per uur rijden als we maar net 120 rijden.

Halverwege Spanje krijgen we het even zwaar. Niet alleen omdat er in geen velden of wegen een hotel of benzinestation te bekennen is, maar omdat de Spanjaarden sinds begin 2007 een paar nieuwe snelwegen hebben aangelegd. We rijden over rotondes die er niet zijn en horen tot vervelens toe: "Probeer om te draaien." Gelukkig heeft Melle de afgelopen twee jaar zijn verstand niet verloren, en passeren we op dag drie de Portugese grens.

De telefoon gaat, het is Melles broer. Hij geeft ons een routebeschrijving tot het begin van het dorp, want "TomTom kent de weg naar ons huis niet." Als we in het dorp aankomen moeten we bellen. We rijden de route en TomTom volgt ons. Helemaal tot het eind, waar hij ons precies kan vertellen waar nummer 186 is.

En de wegenkaart? Die laten we fijn thuis.

In de schaapskooi

Gisteren trouwde mijn jeugdvriendin Annemieke. Hoewel ik haar sinds haar vorige bruiloft niet meer had gezien, wilde ik er wel graag bij zijn. Een boezemvriendin blijft een boezemvriendin, hoe weinig je haar ook ziet.

Annemieke woont in Assen en gaf haar feest in Paterswolde. Het feest begon om 21.00 uur en zou tot 2.30 uur duren; geen tijdstip om nog terug te gaan naar Amsterdam. Mijn ouders verblijven momenteel in het schone Drentse dorpje Amen, waar ze vrienden helpen met het bedekken van hun rieten dak. Bij mijn ouders logeren is echter geen optie, want zij wonen in een geweldige, maar superkrappe camper – niet bepaald Hann-proof. De oude boerderij van hun vrienden met losse, ongelijkvloerse delen en wiebelende trapjes was evenmin een optie.

"Je kunt wel in de schaapskooi slapen," opperde mijn moeder vorige week aan de telefoon. Ik twijfelde. "Staan daar ook schapen?" Dat bleek niet het geval; de schuur heette alleen maar zo vanwege zijn auhentieke opzet. Ze konden er wel een matras neerleggen en een stroomdraad was ook zo gelegd.

En dus ging ik op pad, met in de auto mijn toilettas, porta potti (een chemisch toilet), oplegmatras, dekbed en kussens, acculader en medicijnapparaat. Toen ik aankwam, stonden de grote schuurduren al wijd open. In de kooi stond een bed op klossen en een teil water met een washandje en een handdoek. Verder hing er een peertje aan een stroomdraad, die met een flauw schijnsel ongeveer een kwart van de ruimte belichtte. In de hoek stond een hondenmand met wat stro. Het rook er naar pasgezaagd hout.

De bruiloft was indrukwekkend en erg gezellig, maar rond 00.30 uur verlangde ik naar mijn bed. We keerden terug naar de schaapskooi, waar ik mij, warm onder de wol, nestelde in de geur van pasgezaagd hout. Ik hoefde niet eens schaapjes te tellen voor ik in een diepe slaap viel…

Autoloos gefrustreerd

Dat het leven zonder auto een stuk complexer is dan wanneer je wel een vierwieler voor je deur hebt staan, zal iedereen beamen. Dan hebben we het niet over milieuvriendelijkheid, je laptop kunnen uitklappen of die heerlijke snacks die je op het station kunt verorberen, maar over tijdsefficiency. Als je rolstoelgebonden bent, mag je deze toch al niet onbelangrijke factor vermenigvuldigen met honderd.

Mijn auto staat sinds ruim twee dagen bij de garage. Normaal ben ik hem een dag kwijt voor een grote beurt, maar deze keer moest ook de distributieriem worden vervangen. Dit zou de garage twee hele dagen kosten, vertelde de planner mij een maand geleden aan de telefoon. En dus liet ik mijn auto dinsdagmiddag naar de garage brengen, met de afspraak dat hij donderdag aan het einde van de dag klaar zou zijn.

De reis van mijn werk naar huis, waar ik normaal zo’n anderhalf uur over doe, kostte me bijna twee-en-een-half uur. De intercity bleek niet rolstoeltoegankelijk, de aansluiting sloot niet aan en van Amsterdam CS is nog twintig minuten naar mijn huis. Bovendien regende het en had ik geen jas bij me. Brak was ik. Zo’n werkdag nooit weer.

En dus werkte ik gisteren thuis. Vandaag nam ik vrij; kon ik me mooi even voorbereiden op een lang weekend Maastricht. Tot vandaag 16.15 uur, toen de telefoon ging. "Ik heb slecht nieuws," viel de monteur maar gelijk met de deur in huis, "we gaan het niet redden met uw auto."
"Maar ik heb hem morgenochtend om acht uur nodig. Ik ga een lang weekend naar Maastricht."
"Sorry, dit is overmacht, ik krijg net pas het onderdeel voor de distributieriem binnen."

  1. Al vier weken weet de garage dat dit onderdeel nodig is;
  2. De garage verstrekt geen rolstoelaangepaste leenauto’s;
  3. Ik heb mijn auto een halve dag eerder gebracht dan afgesproken;
  4. Een aangepaste auto huren op deze termijn zou lastig kunnen worden;
  5. Ze bellen me pas anderhalf uur voor sluitingstijd, terwijl ik vanmorgen nog heb gebeld om te vragen hoe laat mijn hulp de auto zou kunnen ophalen;
  6. Afspraak = afspraak.

"Ik kan niet zonder, dus zult u voor een oplossing moeten zorgen."
"Nou, ik weet niet of dat lukt mevrouw, maar ik bel u straks even terug. In het ergste geval werken we er mogenochtend een uurtje aan verder."

Ik merk hoe frustrerend ik het vind om afhankelijk te zijn van zo’n mannetje. Het liefst zou ik boos worden en roepen dat ze dan maar doorwerken tot mijn auto klaar is, maar als je iets gedaan wilt krijgen, word je niet boos. Dan blijf je vriendelijk in de hoop dat ze iets harder voor je lopen. Maar duidelijk zijn mag wel: ik heb de auto nodig, dus jullie zorgen voor een oplossing.

Ze kunnen bijvoorbeeld een huurauto voor me betalen. Ik bel alvast de twee Amsterdamse autoverhuurbedrijven met een rolstoeltoegankelijke auto in het assortiment. De een heeft de auto niet meer ("liep niet"), de ander heeft er pas zaterdag een tot zijn beschikking. Ik zie mezelf niet weer treinen, zeker niet met een matras, acculader en een tas vol medicatie.

Een uur later belt dezelfde monteur weer. "Ik heb goed nieuws. U kunt de auto nu laten ophalen. Het moet wel snel, want we sluiten over een half uur." Ik roep m’n hulp bij haar handwas vandaan: "Lot, werk aan de winkel!"

Donkerblond en hoogopgeleid

Een mooie dag in april. De telefoon gaat. Aan de andere kant van de lijn zit een arbeidsdeskundige van een sociale werkvoorziening. Het bureau begeleidt moeilijk bemiddelbaren met een arbeidsbeperking naar werk. Via via is de arbeidsdeskundige ter oren gekomen dat Achmea werknemers met een arbeidshandicap aanneemt. Komt dat even goed uit: meneer heeft er nog wel een paar dozijn goedkope krachten in zijn kaartenbak!

Razendsnel surf ik naar zijn website, waar mijn vermoeden wordt bevestigd: het bureau detacheert in de sectoren Groen, Bouw en Industrie.
“Ik ben voornamelijk op zoek naar pasafgestudeerden aan HBO en universiteit. Economen, IT’ers, juristen. Hebt u die ook in uw bestand?”
“Ik weet natuurlijk niet wat voor projecten u nog meer onder uw hoede heeft,” antwoordt hij, “maar ik lees hier toch écht dat Achmea arbeidsgehandicapten aanneemt en dat Hann van Schendel hierover gaat.”
“Dat klopt,” zeg ik geduldig, “maar ik zoek dus hoogopgeleide arbeidsgehandicapten.” Dit is al het vierde bedrijf dat ik deze maand moet teleurstellen – of eigenlijk stellen zij mij meer teleur.

De beeldvorming van mensen met een arbeidsbeperking laat duidelijk te wensen over. Bij de term ‘Wajongers’ denkt men in eerste instantie aan verstandelijk gehandicapten en mensen met ernstige gedragsproblemen. Dit is op zich niet vreemd, want van alle Wajongers heeft 40 procent een verstandelijke beperking, 40 procent een psychische beperking en 18 procent een lichamelijke beperking. In mijn project richt ik mij – tegen alle conventies in – op die 18 procent. Niet omdat verstandelijk gehandicapten of mensen met een psychische beperking niet bij Achmea kunnen werken, maar omdat dat al gebeurt. Sinds jaar en dag biedt Achmea werk aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt, waaronder veel Wajongers. Group Facility Services heeft namelijk op elke kernlocatie een contract met de sociale werkvoorziening voor het groenonderhoud en ander laaggeschoold werk.

Maar hoeveel topaccountants rijden er eigenlijk rond op onze locaties? En hoeveel doven zitten er in onze managementteams? Barweinig, weet ik, en dus is er werk aan de winkel.

Sommige collega’s denken hier anders over. Laatst nog werd ik gebeld door een HR Adviseur.
“Hoeveel mensen met een functiebeperking werken er eigenlijk al bij Achmea, is daar iets over bekend?”
“Dat weet ik niet precies,” antwoord ik, “er wordt namelijk niet geregistreerd of iemand een arbeidshandicap heeft.”
“Nou, volgens mij hebben we er genoeg, hoor,” denkt de HR Adviseur. Ze vertelt dat ze er laatst nog één zag rondracen in Zeist.
“Dat was ik, dan, denk ik.”
“Zit jij dan in een rólstoel?” Er klinkt ongeloof door in haar stem. Ik antwoord bevestigend.
“En ben jij toevallig blond?”
“Donkerblond.” Én hoogopgeleid. Straks ben ik geen uitzondering meer, wacht maar af…

Deze column verscheen op 19 mei in de HR Nieuwsflits van Achmea

Loesje

Hoewel ik mezelf altijd heb gezien als een creatief mens, liep ik er laatst op mijn werk tegenaan dat ik er maar niet bij kwam, bij die creativiteit. Ergens moest het zitten, want ik voelde het borrelen in mijn buik. En ik wilde ermee betoveren, verrassen, tot nieuwe dingen komen.

Wat doet een mens als hij zijn eigen creativiteit wil aanboren? Inspiratie opdoen! En dus ging ik naar collega G., die bekend staat om zijn kennis van het Enneagram. Volgens mijn leidinggevende was G. de aangewezen persoon om mij mijn eigen bronnen van creativiteit te doen aanboren.

We hadden een goed gesprek. Over ego, over carrière maken en de kunst om even uit je eigen verhaal te stappen. G. en ik verstonden elkaar.
"Hoe kom ik bij mijn authentieke creativiteit?" vroeg ik hem.
"Geen idee."
Na wat filosoferen over wat creativiteit eigenlijk is, raadde G. mij aan om vooral lekker aan het associëren te slaan.
"Soms is het veel makkelijker dan je denkt, leg de lat niet te hoog," was zijn advies.

Een dag later zat er een e-mail van G. in mijn mailbox, met bijlage. Die bevatte een schrijfhandleiding van Loesje, met tips over het bedenken van pakkende teksten. Vanochtend besloot ik me er maar eens aan te wagen. Omdraaiing, associatie en overdrijving brachten mij een nieuwe manier om naar de wereld te kijken. Verrassend, fris. Betoverend!

Meer weten over Loesje? Kijk dan op haar website.

Een geboren moeder

Met mijn middelbare schoolvriendin Peet loop ik over het Damrak. Er is kermis. Overal lopen ouders met kinderen. Een klein meisje met roze Hello Kitty-schoentjes begint te jammeren om een ijsje. Haar moeder wil er niets van weten, maar na drie keer ‘nee’ zet het meisje het op een krijsen. Dan zwicht de moeder; ze loopt met het kind naar de ijskraam en bestelt een softijsje met aardbeiensmaak. Het krijsen stopt direct.
"Zo zou IK dat dus nooit doen," zegt Peet resoluut, "Ik ben heel consequent in dat soort dingen. Ik hoop dat al mijn vrienden veel kinderen krijgen."
Vragend kijk ik haar aan.
"Zelf wil ik ze niet, ik moet er niet aan denken. Maar als jullie er nou veel krijgen, kan ik wel alle leuke dingen met ze doen."

Prima plan, vind ik. Peet moet gewoon peettante worden. "Ja!" roept Peet enthousiast, "Dat zei ik ook al tegen mijn zus. Het zit in mijn naam. Tante Peet wordt automatisch ‘peettante’. Maar niets, hoor. En dat terwijl ik een geboren moeder ben!" Er klinkt verontwaardiging door in haar stem.

Peet een geboren moeder? Daar moet ik even over nadenken. "Hoezo dat?"
"Nou, ik heb twee keer opgepast. De eerste keer was een makkie. Het was mijn buurjongentje van vier, en die was bang in het donker. Normaal kwam hij elk uur wel drie keer naar beneden omdat hij dacht dat er een spook in zijn kamer zat. Maar hij was verliefd op me, en hij durfde dus niet toe te geven dat hij bang was. Dat arme kind; hij heeft de hele avond liggen rillen in zijn bedje!" Ze lacht er hartelijk om.

"En de tweede keer?"
"Ik had een baan geregeld voor een vriendin, maar die wilde ineens niet meer omdat ze geen oppas kon krijgen. Al die moeite voor niks, zonde gewoon. Dus ik zeg: ‘Ok, ik doe het wel.’ En nou bleek dat kind een enorme huilbaby. Dus ik speelde een beetje met haar, en zodra ze maar een kik gaf, legde ik haar in bed. Geen last meer van gehad, de hele dag niet."

"Dus jij bent een geboren moeder?"
"Absoluut. Ik heb alleen geen moederinstinct."

Een leeg huis

Als ik mijn huis binnenkom, zijn de tafel, de koelkast en het bed al weg. En ook de dozen, die al weken overal ingepakt stonden, zijn verdwenen. Geen stoel staat er meer in het huis. Op de vloer ligt een verdwaalde plastic zak. De hond van mijn ouders kijkt me met een schuin oog aan. Alleen Gábor doet of er niets aan de hand is; hij ligt te slapen op zijn kleed. Vrijdag gaat hij terug naar het huis waar hij is geboren.

"Hallo? Is er iemand thuis?" roep ik. Mijn stem galmt door het lege huis. Geen reactie, althans, geen menselijke. Wel komt Boris binnen. Hij draalt wat rond en miauwt klagelijk. Dan krijgt mijn voorwiel een kopje en springt hij op schoot.

Ik bel Melle.
"Waar zitten jullie?"
"Nog in Amsterdam. We hebben alles in één keer over gekregen!"
"Wanneer komen jullie deze kant op?"
"Dat kan nog even duren. Er staat een enorme file."

Er is geen eten, er is niets. Ik leg mijn hoofd op Boris’ rug en overdenk mijn tijd in Nieuwegein. Zeven jaar geleden ben ik er komen wonen. Wat heb ik hier veel meegemaakt! Mijn afstuderen, eerste, tweede en derde baan, relatieperikelen, spirituele ontwikkelingen. Verdriet en vreugde, warme zomers in de achtertuin op het zuiden, waar de appelboom nu alweer minstens vijftig bloesems draagt.

Ik wil in de tuin gaan zitten, maar de knip zit erop. Naar buiten kijken gaat ook niet, want het verduisteringsscherm hangt voor het grote raam. Door een kier zie ik de rozewitte bloesems. Dit is de laatste keer dat ik alleen in dit huis ben.

Dan hoor ik de voordeur. Melle en mijn ouders komen binnen. Ze zien er moe, maar opgewekt uit. De klus is geklaard. In de camper warmt Marus een pan soep op. We eten zwijgend. Na het eten vraag ik Melle: "Zullen we maar gaan dan?" Ik geef Gábor een kus, hij doekt zijn wang tegen mijn neus.

Dan vertrekken we. Als we de straat uitrijden, kijk ik nog een keer achterom. De zon gaat onder.

"Kijk, daar rijdt iemand!"

Ook dit jaar staat Achmea op De Nationale Carrièrebeurs. Recruiters voelen zich als een vis in het water op de enorme beursvloer, want wie komen er massaal naar de carrièrebeurs? Al die net afgestudeerde, werkzoekende high potentials natuurlijk!

Als ik bij de RAI aankom, staat er al een lange rij voor de deur. Jonge mensen die geen kans onbenut laten om zich van hun beste kant te laten zien bij potentiële werkgevers. Gekapte koppen, driedelige pakken, gepoetste schoenen… men is er helemaal klaar voor. Ik zet mijn rolstoel in de hoogste stand, zodat ik op ooghoogte ben met lopende mensen. Dan begeef ik me, tussen al het jonge spul in, de beursvloer op. Bij onze stand vind ik 20 collega’s – Achmea pakt groots uit. Dat geeft mij tijd om te doen waarvoor ik ben gekomen: talent met een arbeidsbeperking spotten!

Het is 12.19 uur. Helaas valt er weinig te spotten. Geen mank lopende accountant, geen rolstoelgebonden arbeidsjurist, zelfs geen blinde beleidsadviseur in spé. Hoe zat het ook alweer met Mozes en die berg? Samen met collega L. ‘loop’ ik een rondje over de beurs. “Kijk, daar rijdt iemand!” roept L. enthousiast, en ze wijst een gangpad in. En inderdaad, daar rijdt een jonge vent in een handbewogen rolstoel. *Doelgroep!* Ik zet een achtervolging in. Als ik hem heb ingehaald, blijk ik een meter hoger te zitten dan mijn potentiële gesprekspartner. Ik zet mijn stoel dus weer in de laagste stand en spreek de jongen aan: "Op zoek naar een leuke baan?" Hij antwoordt dat hij net is afgestudeerd als modeltekenaar en dat hij een baan zoekt in de bouw. Mission impossible. Ook collega L. is zichtbaar teleurgesteld.

We besluiten terug te gaan naar de stand, waar onze collega’s allemaal druk in gesprek zijn. Hier kunnen we ons tenminste nuttig maken. L. wordt vrijwel direct aangesproken door twee jongens, maar ik merk dat sommige beursgangers wat terughoudend zijn om mij aan te spreken. Ik rijd op twee dames af. "Kan ik jullie misschien ergens mee van dienst zijn?" Twee paar ogen dwalen af naar mijn borst, waar ze een fractie van een seconde blijven rusten op mijn badge. Pas als ze zien dat ik inderdaad bij Achmea hoor, stellen ze hun vraag. Binnen een halve minuut zijn we druk in gesprek.

Het is 16.30 uur; de beurs zit er bijna op. Collega L. heeft haar pumps verwisseld voor platte ballerina’s en ook de andere collega’s vertonen sporen van vermoeidheid: uitgelopen mascara, rode blossen en kromgetrokken ruggen. "Ik ben totaal afgedraaid," biecht een collega op, terwijl ze over haar kuiten wrijft, "Ik plof straks neer op de bank en kom er vanavond niet meer vanaf!" Dan realiseer ik me dat ik bevoorrecht ben ten opzichte van mijn collega’s. Zij hebben de hele dag gestaan, maar ik heb gewoon gezeten, net als anders. Eigenlijk ben ik nog topfit. Voor mij geen bankgehang vanavond. Ik ga een avondwandeling maken, en dan lekker uit eten met mijn vriend!

Deze column is gepubliceerd op 16 april 2009 in de HR Nieuwsflits van Achmea.

Jonge overtuigingen

Ik was vier jaar toen ik op een dag tijdens het avondeten aan mijn ouders vroeg: “Waar komt vlees vandaan?”
“Van de dieren.” Vanaf dat moment heb ik nooit een hap vlees meer gegeten, en dat terwijl ik vlees heerlijk vond.

Helaas accepteerden mijn kleuterjuffen mijn jonge overtuigingen niet. Als een klasgenoot op tomatensoep trakteerde, wilde ik de gehaktballen niet, maar ik moest ze van mijn juffen opeten. Daarom gaf ik ze stiekem aan mijn buurman/ of –vrouw, die mij met plezier van de ballen wilde af helpen. Ook vond mijn moeder eens een plakje ham in mijn rolstoel, dat ik tussen de voetenzak en de zitting had weggemoffeld toen we een traktatie met augurk en ham kregen. Ik moest het opeten, maar hoe streng de juffen ook waren, ik at er geen hap van.

Iets moeten is nog niet per se traumatiserend, zolang je er maar onderuit kan komen. Maar op een dag, toen ik tijdens de les naar fysiotherapie ging, verwisselden mijn juffen mijn boterham met muisjes met een boterham van een klasgenoot. Op deze boterham zat leverworst. “Zie je wel,” zei een van de juffen triomfantelijk, “je moeder wil ook dat je vlees eet.” Ik at die dag geen lunch. 

© Hann van Schendel, april 2009

Handicap een parttime baan

Vandaag heb ik een vrije dag. Het komt heel vaak voor dat ik mijn vrije dag besteed aan handicap-gerelateerde zaken. In maart en april staan bijvoorbeeld de volgende zaken op het programma:

– een offerte laten maken voor de tillift;
– de tilift laten plaatsen;
– het uitproberen van deuropeners;
– een offerte laten maken voor een aangepaste auto;
– een medische keuring ondergaan voor mijn rijbewijs;
– een matras uitproberen;
– het defect aan mijn rolstoel laten repareren;
– twee tiljukken uitproberen;
– de uitgebreide passing voor de tillift;
– een longfunctietest;
– een WMO-indicatie;
– de rolstoelovernameformulieren voor de gemeente invullen;
– verantwoordingsformulieren voor zorg invullen en naar de gemeente sturen;
– een aangepaste auto aanvragen.

Dit is maar een greep uit extra tijd die je aan een functiebeperking kwijt bent. Daar komen nog de wat structurelere zaken bovenop, zoals de administratie voor zorg of het regelen van toilethulp op het werk. In feite gaat er nooit een vrije dag voorbij zonder dit soort extra’s. Mensen met een handicap zijn dus standaard meer tijd kwijt aan duffe zaken dan een willekeurige ander.

Behoorlijk irritant is bovendien het gemak waarmee iedereen er maar vanuit gaat dat je vijf dagen per week beschikbaar bent als je een handicap hebt. Zo kreeg ik vorige maand een oproep voor een indicatie WMO-zorg, met de mededeling dat ik drie dagen later om elf uur op het kantoor in Amsterdam werd verwacht.
"Ik kan vrijdag niet, dus ik zou de door u geplande afspraak graag verzetten."
"O, dan wordt het dinsdagmiddag om kwart voor vier," stelt de mevrouw aan de andere kant van de lijn. In haar stem geen vraagteken te bespeuren. Toch gaf ik antwoord: "Dan kan ik eigenlijk ook niet. Ik ben alleen op maandag beschikbaar, dat is mijn vrije dag."

Hetzelfde gebeurt met telefonische afspraken. De een spreekt in dat ik diezelfde dag nog een mail moet sturen met gevraagde informatie, de ander verwacht dat ik altijd de telefoon opneem als hij mij telefonisch wil bereiken. Als ik vervolgens uitleg dat ik een baan heb van 32 uur per week, en dat ik niet zomaar voor elk ding het werk uit handen kan laten vallen, privé-e-mail kan versturen of een vrije dag kan opnemen, loop ik vaak tegen onbegrip aan.
"Deze indicatie is heel belangrijk, mevrouw," wordt mij dan verteld, "dus als ik u was zou ik maar tijd maken."

Als ik alles zou doen volgens andermans planning, zou er geen dag in de week meer overblijven om gewoon te werken. Ik beheer mijn agenda dus graag zelf. Handicap is een parttime baan.