Vlieguren maken

De laatste dag van mijn vakantie. Nu het nog kan, schrijf ik mijn morning pages in de zonnige en windvrije hoek achter onze flat. De drie pagina’s zijn geschreven en ik weet; vandaag ga ik werken aan mijn roman. Mijmerend ga ik de hoge, lichte flathal in om weer naar onze voordeur te rijden, die grenst aan de nu nog frisse, schaduwrijke binnentuin.

Ik hoor iets fladderen en zie daar ineens een jonge ekster in de hal vliegen. Zijn ouders hebben hun nest in de hoogste boom van onze binnentuin gebouwd en zijn de afgelopen weken met eten op en aan gevlogen om hun kroost te voeden. Ik zag niet meer dan af en toe een bekkie dat omhoog stak uit het nest.

Tot een paar dagen geleden, toen de jonge vogels hun eerste vliegles kregen. Voorzichtig vlogen/hupten ze naar een tak vlak naast hun nest. Een paar uur later een takje verder, en ééntje waagde het onder luid gekras van zijn ouders zelfs om naar een tak van de buurboom te vliegen.

Nu zijn we drie dagen verder en heeft deze jonge vogel vorderingen gemaakt, want het is hem zomaar gelukt om de flat binnen te vliegen. De deur staat wijd open om te luchten, maar de vogel vindt de uitgang niet meer. Hij fladdert rond, landt op een hanglamp aan het hoge plafond, probeert het opnieuw en vliegt keihard tegen een groot, licht raam. In de tuin hoor ik zijn ouders roepen.

Eerst probeer ik hem de weg te wijzen; ik ga bij de deuropening staan en maak lokkende geluidjes. Opnieuw vliegt de ekster een rondje en nu vliegt hij tegen een raam aan de andere kant van de hal. Ik moet ingrijpen, anders overleeft hij het niet!

Ik ga naar binnen en roep Melle erbij. Gewapend met een handdoek en een bezem probeert ook hij de ekster te sturen richting de open deur, maar de vogel raakt alleen maar meer in paniek. ChatGPT vertelt ons wat te doen: we moeten alle ramen afplakken en alleen de deur openlaten – dan vliegt hij zo naar buiten. De ramen zijn drie meter hoog en wel drie keer zo breed. Een onbegonnen zaak dus.

Ik ga naar huis, bel de dierenambulance en vertel de telefoniste het verhaal met de emotie van een moeder die haar kind is kwijtgeraakt in de supermarkt. Het is 8.42 uur. Degene die mijn verhaal heeft aangehoord, zegt dat ik tot 9.00 uur moet wachten en dan maar moet terugbellen; zij is van de nachtdienst.

Ik denk aan wat mijn gevleugelde vriend zichzelf in twintig minuten allemaal kan aandoen: hij kan een vleugel breken, of erger nog: zijn nek, maar de telefoniste is heel duidelijk: ze kan niets voor mij doen. Ik heb geen keuze en begin aan het schrijven van mijn verhaal om die lange twintig minuten door te komen.

Om 8.58 rijd ik naar de hal van de flat, op zoek naar de ekster. Ik kijk naar elke lamp, naar de trapleuning, naar het rekje met vuile was van de instelling uit het gebouw. Ik kijk naar de rij brievenbussen en in de hoek achter de lift. Niets. Zou hij zichzelf dood hebben gevlogen? Ik scan elke centimeter van de betegelde vloer om te zien of hij daar ergens ligt.

‘Ik denk dat hij de weg naar buiten heeft gevonden,’ zeg ik tegen Melle als ik weer thuiskom, ‘hij is nergens te bekennen.’

Opgelucht ga ik verder met het schrijven van mijn verhaal. Vandaag wil ik vlieguren maken, net als de jonge vogel.