Gisteren luisterde ik naar De Literaire Letterenshow, een maandelijkse podcast over literatuur. Deze aflevering, deel 7, stond in het teken van de boekenweek, die dit jaar het thema ‘mijn generatie’ had. In deze aflevering werd Het Meisje voorgedragen: een gedicht uit 1949, geschreven door Hanny Michaelis:
Het meisje
Ben ik na jaren nog het kind gebleven
Dat zich, door lente’s toverlicht verblind,
liet vangen door de speelse voorjaarswind
Als hoog boven haar hoofd de wolken dreven?Ben ik nog steeds het argeloze kind
dat zich aan zon en wind kan overgeven?
Is het dezelfde band waarmee dit leven
mij aan een wereld vol geheimen bindt?Weer laat ik door de voorjaarswind mij vangen.
Weer dwaal ik als een kind door lente’s land,
verblind van licht, met overbloosde wangen.Maar ‘k heb mijn onbevangenheid verpand –
diep in mij laait de vlam van verlangen:
een vuur dat niet in kinderen ontbrandt.
Voor de boekenweek was dit gedicht hertaald door woordkunstenaars uit drie generaties: generatie X, millennials en gen Z. Hierdoor ontstond er een vierluik over een onbezorgde jeugd en het keerpunt naar volwassenheid voor elke generatie. De vraag die in de uitzending centraal stond, was of elke generatie haar eigen verlies van onbevangenheid met zich meedroeg.
Twee van de hertalingen werden voorgedragen door de schrijvers ervan: Dean Bowen en Babs Schutte. Wat me opviel, is dat beide hertalingen wel gingen over het verliezen van de jeugdige onbevangenheid, net als het oorspronkelijke gedicht van Michaelis, maar één aspect ontbrak in beide versies: de verwijzing naar ‘de vlam van verlangen, een vuur dat niet in kinderen ontbrandt’.
Het gaat hier om een verwijzing naar seksueel verlangen. Het verbaasde mij dat noch Dean Bowen noch Babs Schutte hiernaar in hun hertaling verwees, want betekent niet juist dat vurige verlangen dat je je kindertijd achter je laat?
Bij de laatste strofe van Het meisje moest ik denken aan een fantasie die ik koesterde toen ik een jaar of 11 was: ik (een prinses) lag in mijn kasteelkamer in een hemelbed, zo één met van die romantische roze gordijntjes, te wachten tot verschillende jongens mij kwamen bezoeken om me te kussen.
Mijn versie van het verliezen van de kinderlijke onbevangenheid lijkt misschien een ultieme niet-feministische versie: prinses wordt wakker gekust door prins. Toch geeft het denken in generaties mij een ander inzicht, want ik stelde me in mijn fantasie niet afhankelijk op van één prins, maar liet alle jongens die ik leuk vond (en dat waren er veel!) de revue passeren. In dat opzicht was ik echt een kind van de jaren ‘70, waarin seksuele vrijheid hoogtij vierde. Die generatie is aan het verdwijnen: we zijn aan het vertrutten. Bij die constatering voel ik dezelfde weemoed die Hanny Michaelis beschreef in Het meisje.
——-
Meer lezen over het boekenweekgedicht? Klik hier.
Geïnteresseerd in de podcast? Klik hier.
