Mijn droomvakantie

Mijn eerste herfstvakantie zit erop. Ik had me voorgenomen alléén maar leuke dingen te doen: winkelen, theater en musea bezoeken, met vrienden dolen langs de Amsterdamse grachten… Helaas: mijn lot als docente Nederlands besliste anders.

In de weken voor de vakantie had ik in vijf van mijn klassen een toets afgenomen. De andere twee hadden een schrijfopdracht ingeleverd met het onderwerp ‘Mijn droomvakantie’. Dat het nakijken van deze schrijfopdracht nou niet bepaald zou bijdragen aan mijn droomvakantie, had ik beter voor die tijd kunnen bedenken.

Eerst dacht ik dat het allemaal wel meeviel. Op dinsdag pakte ik mijn tas uit en sorteerde ik de stapels. So’s spelling. So’s leesvaardigheid. Schrijfopdrachten. Als ik per dag één stapel zou nakijken, bleef er genoeg vrije tijd over. Door die so’s bleek ik echter niet zomaar heen te komen en bij nader inzien was die stapel schrijfopdrachten wel akelig hoog.

Terwijl ik las over coctails drinken op het Hawaiïaanse strand, wandelen over Times Square en per trojka rondtrekken door Rusland, zag ik mijn vakantie gestaag aan mij voorbijgaan. De stapels slonken nauwelijks in omvang. Toch ging ik door. Er moesten cijfers worden opgeleverd.

Op vrijdagavond om elf uur zat ik met de handen in het haar. Ik had de cijfers voor vijf klassen ingevoerd, maar de stapel schrijfopdrachten was nog steeds half hoog. Bovendien waren nog niet al mijn lessen voor de eerste lesdag voorbereid. Ik moest echt stoppen; de volgende ochtend zouden we voor een kort weekend naar Drenthe vertekken, waar we de laatste twee dagen van mijn herfstvakantie verbleven. Ik schoof de stapels aan de kant.
“Zo,” zei Melle, “nu ben je echt aan vakantie toe.” 

De ochtend daarop vertrokken we naar Drenthe, met in mijn tas mijn laptop. De volgende keer doe ik het anders. Mijn droomvakantie!

Een normale reiziger

Het is maandagochtend, iets na negenen. Ik rijd over het fietspad richting tram en zie hem in de verte nog vóór de halte staan. Ik moet hem halen. Ook al zit er maar vier minuten tussen, ik heb een hekel aan wachten.

Het lukt. Als ik bij de halte aankom, merk ik hoe rustig het is voor een maandagochtend; er staan alleen twee pubermeiden en een vrouw met een kinderwagen te wachten. De tram komt aanrijden en stopt op een plek waar de halte net hoog genoeg is. Ik kijk naar binnen, zie de dikke conductrice zitten en ben blij dat ik haar niet hoef te vragen de plank voor me uit te leggen. Vandaag geen gezucht of moeilijke blikken.

De vrouw met de kinderwagen komt naast me staan, op de fietsenplek. Ik kijk in de wagen en zie een heel jonge baby, een meisje. Even overweeg ik de moeder te vragen hoe oud haar kindje is, maar dan realiseer ik me dat ik dat alleen maar zou doen om vervolgens zelf te vertellen dat ik ook een dochter heb. Van anderhalf. Dat ik een moeder ben, net als zij. Ik besluit dat dat niet hoeft.

We komen aan bij de eindhalte. Hier heb ik de plank wel nodig. De conductrice staat niet op; ze heeft haar voet geblesseerd, zegt ze. Daarom belt ze de chauffeur. Terwijl hij door de tram naar achteren komt om de plank uit te leggen, pak ik mijn OV-chipkaart om uit te checken. In mijn portemonnee prijkt Jonnes foto. Ik kan het niet laten en houd mijn beurs een beetje schuin, zodat ik zeker weet dat de andere moeder de foto kan zien. We glimlachen naar elkaar. Ik ben een normale reiziger.

Een ongelukkig vakantievoorval

Donderdagnamiddag op een natuurcamping in de Drentse bossen. De tent staat. Tussen twee buien door helpt mijn vader me naar het toilet. Buiten, schuin achter de tent, hebben we een windscherm geïnstalleerd met daarachter een roestige douchebrancard en een Porta Potti uit de jaren tachtig. Onder de blote hemel, zo kamperen we al jaren.

Als ik klaar ben, zie ik Jonne voor op de fiets van mijn moeder zitten. “We gaan een stukje fietsen,” zegt de stralende oma. Ze is nog bezig het riempje vast te maken als ik ernaar toe rijd om Jonne een knuffel te geven.

Dan gebeurt het: mijn linkervoorwiel belandt in een kuil – ik voel de rolstoel schuin voorover hellen. Razendsnel gaat het: mijn bovenlichaam dat over mijn knieën en vervolgens de armleuning kantelt,  het groene gras, een ruk aan mijn been en dan… een ongelooflijk scherpe pijn in mijn rechterschouder.

Ik open mijn ogen en kijk recht in die van Melle, die op een of andere wonderlijke manier onder mij op de grond is beland. Ik hang nog half in de lucht, aan het been dat mijn moeder vast heeft. De andere helft ligt deels op het gras, deels op Melle.
“Laat me zakken,” fluister ik. Ik sluit mijn ogen weer en voel me misselijk. Mijn arm ligt boven mijn hoofd gedraaid en blijft pijn doen, ook als ik hem terugleg in zijn oorspronkelijke houding. Bewegen lukt daarna niet meer.

First things first: eerst eten en dan Jonne naar bed brengen. Om een uur of acht rijden Melle en ik toch maar even naar het ziekenhuis.

Op de EHBO-post raak ik in gesprek met een man die zijn linkerarm in de mitella heeft.
“Ook in een kuiltje gereden?” vraagt hij mij. Ik knik.
“In Hooghalerzand.”
“Dat is toevallig,” antwoordt hij, “ik ook. En ben jij toevallig rechtshandig?” Als ik weer knik, zegt hij: “Ik ben links.”

Mijn schouder blijkt uit de kom en die moet erin terug. De dienstdoende arts legt uit hoe dat in zijn werk gaat: “We draaien hem straks zó naar buiten en dan hoop ik dat hij er vanzelf weer in glijdt.” Klinkt oké, maar zodra mijn arm twee centimeter van zijn plaats komt, word ik overvallen door een pijnscheut. Ze breken hem. Ze moeten stoppen. Ik schreeuw.

Na drie pogingen begint de assistente ongeduldig te worden. Ze willen me platspuiten. Pijnstillers. Verdoving. God weet wat nog meer. Ik wil dat niet, ik ben bang voor naalden. Bovendien weet ik niet wat het effect zal zijn op mijn spieren. Gelukkig staat Melle me bij; er wordt nog even gewacht met een infuus.

Als ook de vierde poging geen effect heeft, komt er versterking: een ambulancezuster. Ze heeft het idee om mij lachgas toe te dienen; dat gebruiken ze ook altijd op straat. Ik krijg dan een ‘roesje’, waardoor de arts en de verpleegkundige mijn schouder ongestoord in de kom kunnen trekken. Alles beter dan een naald. Ik stem in.
“Heb je geen geheimen voor je man?” De arts legt uit dat mensen soms ‘anders’ gaan praten dan normaal. Ze kijkt de verpleegkundige veelbetekenend aan en begint te gniffelen.

Ik zet het masker aan mijn mond en adem diep in en uit. Tot dusver is het inderdaad best grappig, maar dat is het niet meer als het apparaat dat met het masker in verbinding staat, begint te piepen. “Dit is het teken dat ze weg is.”

Maar ik ben nog helemaal niet weg. Ik voel verdomme alles. Hoe ze mijn arm wegdraaien, de helse pijnscheut in mijn schouder. “Jullie denken dat ik het niet voel,” roep ik, met mijn ogen gesloten, “maar dit doet zóveel pijn!” Ik kan me niet verweren en voel het steken, keer op keer.

Dan raak ik in een ander bewustzijn. Alle zintuigen beginnen raar te doen. Het is haast niet te omschrijven wat ik meemaak, maar alles klopt en is tegelijkertijd angstaanjagend vreemd. Alsof ik in een andere dimensie ben beland. De pijn wordt steeds erger, maar ik realiseer me niet meer dat er twee mensen aan mijn arm aan het trekken zijn.

Plotseling is het voorbij: ik doe mijn ogen open en zie vier vreemden om mij heen. In de hoek zit een man die mij ergens vaag bekend voorkomt. Ik voel me bang, opgejaagd. Ik weet niet of ik echt IK ben. Ik voel de tranen over mijn wangen stromen.
“Jou kan ik vertrouwen, toch?” vraag ik aan de man in de hoek. Hij knikt. Drie minuten later realiseer ik me dat het Melle is.

Ze hebben mijn schouder er niet in kunnen krijgen. Ik moet een infuus en mag beslist niets eten of drinken. De kans is groot dat ze me gaan opereren. Ik bel mijn ouders en hoor Jonne op de achtergrond huilen. “Ze werd een half uur geleden wakker,” zegt mijn vader. Het is 01.00 uur. Ze hoort te slapen. Ik wil naar haar toe. Ik ben bang.

Dan komt een man de behandelkamer binnen lopen. Een orthopeed, zo blijkt. Hij pakt mijn schouder beet en voelt eraan. Vervolgens laat hij de dienstdoende arts opnieuw aan mijn arm trekken, maar deze keer is hij degene die de schouder vastpakt, en niet de verpleegkundige. Het doet pijn, maar dan voel ik het: hij schiet erin. Mijn schouder.
“Over twee weken opnieuw een foto laten maken en zes weken niet bewegen, er zit ook een scheurtje in je bot,” zegt de orthopeed, die zich al heeft omgedraaid en wegloopt. Ik hoef niet geopereerd te worden. Dit besef is bijna net zo onwerkelijk als alles wat daarvoor is gebeurd.

Om drie uur ’s nachts komen we terug op de camping. De vakantie is begonnen.