Het beste voor de leerling

Gisteravond, rond tienen, sms’te ik naar huis: ‘Ik stap nu in de auto. Ben wat vertraagd. Mijn kandidaat heeft zijn assessment niet gehaald.’ Een klein uur later kwam ik afgedraaid binnen. Het was een lange dag geweest en het assessment was me niet in de koude kleren gaan zitten.

Ik was nog niet binnen, of Melle vroeg me of ik het al had gehoord. ‘Twee leraren van het IJburgcollege zijn geschorst wegens examenfraude.’ Ik was verbaasd; het IJburgcollege ken ik als een school met zeer vakkundige en betrokken docenten. Iets té betrokken, bleek wel, want de twee docenten waren geschorst omdat ze fouten in het eindexamenwerk van hun leerlingen niet hadden foutgerekend. Dit was geconstateerd door collega’s van een andere school, die na de tweede correctie aan de bel hadden getrokken.

Docenten willen het beste voor hun leerlingen, dat weet ik zelf maar al te goed. Je kent je leerlingen en weet hoe hard ze ervoor hebben gewerkt. Toen ik nog in het VO werkte, heb ik bij het nakijken van toetsen ook wel eens gedacht: volgens mij weet hij het wel, maar het staat er niet. Toch rekende ik zo’n antwoord dan fout: soms moet een leerling even voelen dat hij zorgvuldiger moet formuleren.

In het hoger onderwijs werkt dit anders. Bij een assessment bijvoorbeeld moeten studenten aantonen dat ze voldoen aan de bekwaamheidseisen. Dit doen ze door bewijsstukken aan te leveren in een portfolio en een presentatie. De assessoren inventariseren deze bewijsstukken en vragen in een criteriumgericht interview door op criteria die nog niet zijn aangetoond. Meestal werkt dit goed; wij schrijven met de spreekwoordelijke groene pen en zijn erop gericht al het mogelijke bewijsmateriaal op tafel te krijgen, zodat zo’n student zichzelf in optima forma kan laten zien.

Gisterenavond lukte dat niet. Het portfolio hing aan elkaar van verwijzingen naar theoriën, maar deze bleven abstract. Ook in de presentatie werd niet duidelijk welk aandeel de student zelf had in zijn lespraktijk. Mijn mede-assessor en ik hebben geploeterd en gezweet, we hebben heel duidelijk gevraagd: ‘Wat heb JIJ gedaan om deze les tot een succes te maken?’ en we hebben hoopvolle aanzetjes gedaan om de student te laten reflecteren, maar het aanvullende bewijsmateriaal bleef uit. Een voldoende daarmee ook. We hadden het er moeilijk mee, want het had zomaar gekund dat deze student best een goede docent was. Het kwam er alleen niet uit.

Docenten willen het beste voor hun leerlingen of studenten; dit was ook gisteren het geval. Het was niet leuk om deze student af te wijzen en hij was logischerwijs ook erg teleurgesteld. Toch sta ik volledig achter onze keuze. De kandidaat heeft namelijk, dankzij deze afwijzing, de kans gekregen om bewust bekwaam te worden en daarbij passend bewijsmateriaal te zoeken.

Soms is het beste voor de leerling niet het meest aangename.

Mens zijn in de 21e eeuw

Ik ben een gelukkig mens.

Dat is een stelling die mijn hele leven ‘nicht in Frage’ is geweest: het wás gewoon zo. Tot ik een jaar of drie geleden met mijn neus tegen de lamp liep en te maken kreeg met een interne crisis.  Ineens vond ik van alles niet meer vanzelfsprekend: mijn werk, mijn uiterlijk, mijn betrokkenheid bij de wereld om me heen. Of het een midlifecrisis was of ‘gewoon’ een burn-out, durf ik niet met zekerheid te zeggen, maar in mijn zelfonderzoek ontdekte ik dat de kern van mijn ongemak een basisangst bevatte: doodgaan.

In mijn zoektocht naar het omgaan met sterfelijkheid, stuitte ik op een cursus van het Humanistisch Verbond: Once in a liftetime. Ik schreef me in en  vier avonden lang besprak ik de ins en outs van vergankelijkheid met een groep gelijkgeïnteresseerden. We maakten een Curriculum Illusione, waarin we fantaseerden over de jaren die we nog voor ons hadden. De cursus bood me nieuw, zelfontdekt perspectief en vooral ook berusting over het feit dat het leven eindig is – en juist daarom zo waardevol.

Inmiddels is dat twee jaar geleden en roept dit nieuwe levensperspectief ook weer nieuwe vragen op: hoe kun je werkelijk betrokken zijn bij de mensen om je heen, en: hoe gaan verantwoordelijkheid en keuzevrijheid hand in hand?

En ook nu weer biedt het Humanistisch Verbond houvast: sinds kort verzorgt Bas Nabers een cursus Mens zijn in de 21e eeuw, waarin juist deze vragen centraal staan. De cursus bevat vier bijeenkomsten, met de thema’s verbondenheid, de relatie tussen mens en de aarde, technologie en wijsheid.

De eerste twee heb ik inmiddels bijgewoond en ik blijf maar lezen uit de bijbehorende reader. In de nachten na de cursus kan ik nauwelijks in slaap vallen, zoveel inzichten vind ik in wat mij nu werkelijk gelukkig maakt: mens zijn.

Geen stage

Donderdagmiddag, na mijn les aan de deeltijd Engels. Ik heb precies drie kwartier om een kop koffie te drinken voor mijn toiletafspraak. Terwijl ik op weg naar de lift afscheid neem van mijn studenten, zie ik hem zitten: één van mijn eerste studenten op de HU.

Tijdens die allereerste les, anderhalf jaar geleden, viel hij me op, niet alleen door zijn uiterlijk – grote man, lang haar, een beetje een oude rocker -, maar ook door zijn zwijgzaamheid. Pas toen ik een creatieve schrijfopdracht gaf waarbij de studenten een verhaal moesten schrijven dat men zich een jaar later nóg zou herinneren, zag ik wat deze student in huis had: een grote verbeeldingskracht en het talent om een personage overtuigend op papier te zetten – zó beeldend, dat het verhaal mij nu nog voor de geest staat.

Ik had me wel eens afgevraagd hoe het met hem ging. Toentertijd was hij een van de weinigen in mijn groep zonder stage of baan in het onderwijs. Dat is best lastig als je aan de HU studeert, want veel van de opdrachten worden gekoppeld aan de lespraktijk.

In plaats van naar de lift, rijd ik naar hem toe. “Hey,” zeg ik, “hoe gaat het met je?”

Hij vertelt me dat het best wel goed gaat, maar dat hij sommige vakken niet kan volgen omdat hij nog geen stage heeft gevonden. Verder vindt hij de opleiding hartstikke interessant.

“Waaróm heb je geen stage?”

“Dat vraag ik me ook af,” zucht hij, “het lukt anderen wel en mij niet. Misschien moet ik er meer achteraan bellen als ik een brief heb geschreven. Ik doe dat eigenlijk ook niet.”

“Worden er niet heel veel docenten Nederlands gezocht momenteel?”

“Jawel, maar dan willen ze een docent, geen stagiaire. Dat kan ik helemaal niet. Bovendien, ik heb een fulltime baan. Als ik dat opzeg en het lukt niet, heb ik niets meer.”

Zwijgend kijk ik hem aan. Ik denk aan oplossingen in de richting van twee dagen onbetaald verlof of een invalbaantje tot de zomer… maar realiseer me dat daar de crux niet zit. “Waarom denk je dat het je niet lukt?”

“Ja, dat weet ik eigenlijk niet. Ik ben bang dat ik op mijn gezicht ga.”

“Elke docent gaat op zijn gezicht.” Ik vertel hem over mijn eerste lesjaar, waaraan ik begon zonder ook maar enige pedagogische en didactische kennis of ervaring. Overdag was ik constant aan het heen en weer bewegen tussen pleasen en straffen; ik liet me manipuleren door mijn leerlingen in de hoop dat ze zouden doen wat ik van hen verwachtte. Als ik ‘s nachts in bed lag, kwamen hun koppen op me af. Het was allesbehalve leuk, maar het jaar daarna ging het veel beter en nog een jaar later was ik een favoriete docent, een docent die precies de balans wist te houden tussen persoonlijk contact en professionaliteit: een docent waar leerlingen mee wegliepen.

“Lesgeven leer je niet hier,” zeg ik. “Je moet voor de klas, meters maken. Fouten maken. Hoe meer fouten, hoe beter: daar leer je van. Daar word je een goede docent van.”

Hij kijkt me verbaasd aan.

“Volgens mij moet jij helemaal niet solliciteren als stagiair, maar gewoon, als docent. Je hebt alle kennis al in huis. Ga het nu maar gewoon doen!”

“Bedankt,” zegt hij, terwijl zijn ogen vochtig worden. “Dit had ik even nodig. En weet je? Ik ga niet tot morgen wachten.” Hij pakt zijn tablet en opent de site van Meesterbaan.

Als ik rector was op een middelbare school, wist ik het wel: ik zou deze creatieve, gedisciplineerde en perfectionistische leraar direct aannemen. Elke andere student zou namelijk allang zijn afgehaakt, maar deze man is in staat zichzelf te blijven motiveren tot hij denkt er klaar voor te zijn. Dat moment is nu aangebroken.