Lichaamshaar – een zelfonderzoek

Ongeveer een jaar geleden las ik Krabben, een boek over hoe vrouwen elkaar steunen of juist onderuithalen. Eén interview dat me (bijna) dagelijks bezighoudt, is het interview met Carolien Borgers, over het krabben om lichaamshaar.

Ik heb al jarenlang een haat-liefdeverhouding met mijn lichaamshaar. Achttien jaar, om precies te zijn. Daarvoor was er alleen maar liefde; ik leefde in het prettige bewustzijn dat ik mooi was zoals ik was en er was geen haar op mijn lijf die er ook maar over peinsde om geschoren, geëpileerd of gewaxt te worden.

Ergens in 2003 kwam daar verandering in, toen ik een – nota bene niet eens heel geslaagde – date had. Ik zat bij hem op schoot en ineens trok hij aan een haar op mijn dijbeen. ‘Hier moet je wel iets aan doen, hoor.’

Ineens zag ik het: er zaten niet één of twee, maar zeker twintig donkere haren aan de binnenkant van mijn bovenbeen. En niet alleen daar: ook mijn onderbenen leken verdacht veel op die van mijn vader. En mijn billen. En mijn oksels (al vond ik dat minder erg).

Iieuw, denk je nu misschien. Dat dacht ik ook. Ik ging te rade bij een vriend, die me vertelde dat hij een andere vriendin wel eens hielp met waxen. Een fluitje van een cent, verzekerde hij me. Ik kocht een epileerapparaat én een pakje waxstrips, want mijn moeder had me ooit op het hart gedrukt om nooit te gaan scheren: daar kreeg je veel meer en bovendien veel hardere haren van.

Sindsdien leef ik in permanente verwardheid als het gaat om mijn lichaamshaar. Soms laat ik het een tijdje staan, uit gemak, maar vooral omdat ik mijn haar, puur voor mezelf, helemaal prima vind: het is zacht en beschermt mijn huid. Tegelijkertijd merk ik dat ik met haar op mijn benen toch minder snel een korte rok of broek aantrek – en dan hebben we het nog niet eens over wat er gebeurt als ik (vermoedelijk) uit de kleren ga. Dan doe ik waarmee ik al achttien jaar worstel: ik epileer of wax elke haar die aanstootgevend zou kunnen zijn.

Ik wil mijn lichaam niet ontharen omdat ik anders niet voldoe aan het schoonheidsideaal van deze tijd, waarin behaarde vrouwen worden gezien als ‘activist’, ‘mannenhater’ of ‘pot’. Ik wil een echt autonome keuze maken en mijn identiteit ontlenen aan zoveel eigenwaarde dat ik durf te kiezen om buiten de norm om trots te zijn op mijn lichaam – met lichaamshaar.

Waarom doe je het dan nog, hoor ik je denken? Naar dat antwoord ben ik nog zoekende. Daarom ben ik vandaag begonnen aan de podcast Over Haar van Carolien Borgers, die zich bij wijze van experiment een jaar niet onthaarde en daarover zes podcastafleveringen maakte. Deze podcast wil ik gebruiken als zelfonderzoek in de worsteling rondom lichaamshaar.

De eerste aflevering gaat over meisjes: dat wordt dan ook het onderwerp van mijn volgende blog.

Voor alles

Het is een jaar geleden: elf hele weken lang verbleef ik in zelfisolatie bij mijn ouders in Drenthe, bang voor Corona – bang voor de dood. Ik zag Melle niet, ik zag de kinderen niet. Dagelijks vroegen ze me wanneer ik zou terugkeren. Het was hartverscheurend.

Geen moeder houdt dat vol, tenzij je ontzettend veel van het leven houdt. Het was amper vol te houden, maar ik wist: het is voor een goed doel, dit gaat over. En dan ben ik er nog, dan kan ik nog jaren bij mijn geliefden zijn.

Voor Melles moeder was dat anders. Twee weken geleden besloot zij een einde te maken aan haar leven. Niet omdat ze niet van het leven hield, maar omdat zij het niet kon dragen. Ze leed sinds haar twaalfde aan depressie. Elke dag was voor haar een strijd: opstaan, zich aankleden, naar de winkel gaan, eten koken. Natuurlijk waren er lichtpuntjes, zoals de geboorte van haar kleinkinderen, bezoek van familie, literatuur en muziek. Maar bovenal was er een diep zwart gat, dat er altijd keihard doorheen kwam.

Tijdens onze laatste ontmoeting, een week voor ze haar verlossende drankje zou nemen, liet ze Melle en mij een video zien waarop Wende Snijders een gedicht van Joost Zwagerman ten gehore brengt. Het lied heet ‘Voor alles’ en omschreef hoe mijn schoonmoeder zich haar hele leven heeft gevoeld: bang voor alles – behalve voor de dood.

Ze vond herkenning in de tekst en hield van Wende Snijders’ stemgeluid. Toen we het samen luisterden, huilden we om de tragiek dat je zó van het leven kunt houden en het toch niet kunt leven. Om het achter moeten laten van mensen van wie je houdt. Om de liefde, die door ons en onze kinderen nooit zal verdwijnen.

Joost Zwagerman, die ook aan depressie leed,  pleegde zelfmoord in 2015. Daarvóór had hij Wende Snijders gevraagd of zij zijn gedicht ‘Voor alles’ op muziek wilde zetten. Zij had nog geen gehoor aan zijn verzoek gegeven toen zij op een ochtend de krant opensloeg en las dat Joost Zwagerman er niet meer was. Op dat moment besloot zij het lied alsnog te schrijven. Lees het hele verhaal en de songtekst hier. Denk je zelf aan zelfmoord? Praat erover en bel 113.

Meer weten over hulp bij zelfdoding? Kijk op de website van van de NVVE.

Krabben en de vierde feministische golf

Deze zomer las ik ‘Waarom ik van Simone de Beauvoir houd’, waarover ik eerder schreef in Meisjesheid. Het boekje bevat brieven aan Simone de Beauvoir van zestien vrouwelijke schrijvers, essayisten, columnisten en filosofen, gerangschikt naar leeftijd. De tweede brief was van Daan Borrel (1990). Ik kende deze schrijver/journalist nog niet, maar de brief sloeg in als een bom. Ze schreef over verlangen naar meerdere geliefden in je leven en over hoe je als vrouw zowel de rol van object als subject kunt (leren) innemen. Wie was die vrouw? Ik wilde meer van haar lezen!

In de boekwinkel viel mijn oog op ‘Krabben: van vrouw tegen tot vrouw‘ (2020), een boek van Daan Borrel en Milou Deelen, waarin het verschijnsel van de krabbenmand* wordt onderzocht door middel van enquêtes en interviews met (heel diverse) vrouwen, afgewisseld met een briefwisseling tussen Borrel en Deelen. Ik kocht het, las… en werd geïnspireerd.

Het boek laat vanuit het perspectief van vrouwen zien hoe zij zich verhouden tot zichzelf (lichamelijk, seksueel en mentaal) en andere vrouwen. De titel ‘Krabben’ doet wellicht vermoeden dat het boek een pessimistisch beeld voorschotelt van de interactie tussen vrouwen, maar het woord ‘tegen’ in de ondertitel van het boek is terecht vervangen door ‘tot’: het boek is bovenal een pleidooi voor een wereld waarin vrouwen elkaar steunen om niet langer het onderspit te delven in het patriarchale systeem.

Na het lezen van het boek verdiepte ik me in het feminisme van nu: ik maakte een Instagram-account aan en volg alle vrouwen die in ‘Krabben’ aan het woord komen. Ook luisterde ik naar podcasts van hedendaagse feministen. Van vele had ik nog nooit gehoord en het is een openbaring om naar hen te luisteren; ze hebben een eigen geluid, gericht op vrijheid en ontplooiing van het individu. De vierde feministische golf is inclusief en solidair; er is meer aandacht voor onderlinge verschillen en er is een hoge tolerantiegraad voor andersdenkenden.

Al lezende en luisterende rees wel de vraag bij me op: als dit de vierde feministische golf is, wanneer heeft de derde golf dan plaatsgevonden – en was ik erbij? Een klein onderzoek leerde me dat ik er middenin had gezeten, in Maastricht halverwege de jaren ’90: ik ging naar (toen nog) LHTB-feestjes en kleedde me authentiek en sexy, wat me een vrij gevoel gaf. Ik schreef een scriptie over de beeldvorming van vrouwelijke seksualiteit in de op vrouwen gerichte seksindustrie, die werd genomineerd voor de Nationale Scriptieprijs (2003) en werd redactielid bij het feministische tijdschrift Lover.  Ik zette me in voor beeldvorming, maar had geen besef van een feministische golf.

De feministen van nu zijn zich hier denk ik meer bewust van. Dat zelfbewustzijn werkt aanstekelijk; ik wil óók weer de barricades op! Toen ik dit vertelde aan mijn vriendin T., stelde zij spontaan voor een linkse feministenclub te beginnen, samen met een andere vriendin – een club om te onderzoeken en uit te wisselen: hoe is het gesteld met onze eigen genderrollen en seksualiteit?

Vorige week zaten we gedrieën aan de keukentafel. Het voelde vertrouwd en bevrijdend. Hoewel we iets ouder zijn dan de vierde generatie feministen, en de keuzes die we hebben gemaakt voor werk en gezin weinig ruimte bieden voor het echte barricadewerk, is er wel iets wakker geschud. ‘Joehoe! Jij kunt het verschil maken!’ Dat deden we natuurlijk al – maar nu zijn we ons daarvan nog nét iets bewuster.

* ‘krabbenmand’ is een term uit de tweede feministische golf waarmee het neerhalen van andere vrouwen wordt bedoeld.